ECLI:NL:RBROT:2023:6613
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde en afwijzing immateriële schadevergoeding wegens geringe financiële belang
Eiser betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn portiekwoning, gelegen aan een adres in Rotterdam, en stelde dat deze te hoog was vastgesteld op €125.000,-. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, onderbouwde de waarde met een taxatierapport en een waardematrix waarin vergelijkingsobjecten uit dezelfde straat en bouwperiode werden gebruikt. De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de verschillen in onderhoud en voorzieningen voldoende waren verdisconteerd.
Eiser voerde ook aan dat het bestreden besluit onbevoegd was genomen, omdat het door dezelfde functionaris was genomen als de WOZ-beschikking en zonder mandaat. De rechtbank verwierp dit verweer omdat sprake was van attributie en de directeur Belastingen als heffingsambtenaar was aangewezen.
Verder stelde eiser dat de redelijke termijn was overschreden en verzocht om immateriële schadevergoeding. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden, maar het financiële belang van eiser werd ingeschat op circa €20,-, wat als zeer gering werd aangemerkt. Daarom werd het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
De rechtbank sloot aan bij een eerdere uitspraak waarin een bedrag van €25,- als grens voor zeer gering financieel belang werd vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen, en eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen.