ECLI:NL:RBROT:2023:6668
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling WOZ-waarde huurobject zonder financieel belang eiser
Eiser, huurder van een portiekwoning te Rotterdam, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van de woning, vastgesteld op €107.000,- voor het belastingjaar 2021. De bezwaarprocedure en het beroep richtten zich op de vraag of de waarde te hoog was vastgesteld. Verweerder, de gemeente Rotterdam, onderbouwde de waarde met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten, waarop de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld, mede gelet op de gebruikte vergelijkingsobjecten en de toegepaste correcties. De door eiser overgelegde taxatie was onvoldoende onderbouwd om het tegendeel te bewijzen. Daarnaast stelde eiser dat het bestreden besluit onbevoegd was genomen, maar dit werd verworpen omdat de directeur Belastingen als heffingsambtenaar bevoegd was.
Verder constateerde de rechtbank een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure, maar wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat eiser geen financieel belang had bij de WOZ-waarde. De belastingen die van de WOZ-waarde afhangen worden immers geheven van de eigenaar, niet van de huurder. Er was ook geen ander bewijs van spanning of frustratie. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de griffierechten werden niet teruggegeven.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen wegens afwezigheid van financieel belang.