ECLI:NL:RBROT:2023:6731
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling WOZ-waarde sociale huurwoning zonder financieel belang huurder
Eiser, huurder van een sociale huurwoning aan een adres in Rotterdam, betwist de vastgestelde WOZ-waarde van € 226.000 per 1 januari 2020 en stelt dat deze te hoog is vastgesteld. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, heeft de waarde gebaseerd op een taxatierapport met vergelijkingsobjecten in dezelfde wijk en bouwjaar. De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede omdat de verschillen in onderhoud en voorzieningen onvoldoende onderbouwd zijn door eiser.
Eiser voerde aan dat het besluit onbevoegd is genomen, maar de rechtbank stelt vast dat de directeur Belastingen als heffingsambtenaar bevoegd is het besluit te nemen. Tevens is de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure vastgesteld, maar het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen omdat eiser geen financieel belang heeft bij de WOZ-waarde, aangezien hij huurder is en de belastingen op de eigenaar drukken.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde binnen een redelijke bandbreedte valt en dat de overschrijding van de redelijke termijn geen aanleiding geeft tot vergoeding van immateriële schade. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.