Eiser is op 3 juli 2022 door de politie aangehouden nadat hij onder invloed van alcohol een voertuig bestuurde en betrokken was bij een eenzijdige aanrijding. De politie mat een ademalcoholgehalte van 555 µg/l, hetgeen binnen de grens ligt voor oplegging van een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA). Verweerder, het CBR, legde op basis hiervan een EMA op. Eiser voerde in beroep aan dat hij pas na de aanrijding alcohol had gedronken en niet onder invloed was tijdens het rijden, en betwistte de juistheid van de conclusies, niet van het proces-verbaal zelf.
De rechtbank oordeelt dat verweerder mocht uitgaan van het proces-verbaal dat op ambtseed is opgesteld en dat eiser onvoldoende tegenbewijs leverde om het vermoeden van rij-ongeschiktheid te weerleggen. Het feit dat de ademtest pas 7,5 uur na de aanrijding werd afgenomen, doet hieraan niet af. De rechtbank stelt vast dat het vermoeden van rij-ongeschiktheid niet vereist dat het alcoholgebruik tijdens het besturen is vastgesteld, maar dat een vermoeden op grond van feiten en omstandigheden volstaat.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft het bestreden besluit en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.