ECLI:NL:RBROT:2023:6857

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 juli 2023
Publicatiedatum
31 juli 2023
Zaaknummer
10586017 / VV EXPL 23-322
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontruiming woning in kort geding huur woonruimte Rotterdam

In deze kortgedingprocedure vordert eiser ontruiming van een woning die door gedaagde wordt gehuurd. Eiser stelt dat de huurovereenkomst voor bepaalde tijd is geëindigd, dat gedaagde overlast veroorzaakt en een huurachterstand heeft opgebouwd, wat volgens eiser ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde niet zonder recht of titel in de woning verblijft, omdat het systeem van huurbescherming niet op deze wijze kan worden omzeild. De overlast is onvoldoende onderbouwd; verklaringen van buren en gedaagde staan tegenover elkaar en videobeelden zijn niet getoond of toegelicht. Hoewel enige overlast aannemelijk is, is deze niet zo ernstig dat ontbinding gerechtvaardigd is.

Ook over de huurachterstand bestaat discussie over de omvang en is niet vastgesteld dat deze tot ontbinding leidt. Daarnaast is er geen spoedeisend belang bij ontruiming wegens huurachterstand, mede gelet op het wonen van een minderjarig kind in de woning.

De eis wordt daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde, welke uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Uitkomst: De eis tot ontruiming van de woning wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10586017 / VV EXPL 23-322
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op 18 juli 2023
in de zaak van

1.[eiser01] ,

wonende in [woonplaats01] ,
2. [eiser02],
wonende in [woonplaats02] ,
3. [eiser03],
wonende [woonplaats03] ,
eisers,
gemachtigde: mr. F. Swart te Amsterdam,
tegen
[gedaagde01],
wonende in [woonplaats04] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. I.B. Jansen te Rotterdam.
De partijen worden ‘ [eiser01] c.s.’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
De kantonrechter is mr. M. Fiege en de griffier is mr. R.W.H. van Rijkom.
Aanwezig zijn:
  • de heer [eiser01] , bijgestaan door de gemachtigde van [eiser01] c.s.; en
  • mevrouw [gedaagde01] , bijgestaan door haar gemachtigde.

1.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
1.1.
[gedaagde01] huurt van [eiser01] c.s. de woning aan het adres [adres01] in Rotterdam. Volgens [eiser01] c.s. verblijft [gedaagde01] zonder recht of titel in de woning omdat haar huurovereenkomst voor bepaalde tijd inmiddels is afgelopen, veroorzaakt [gedaagde01] overlast die in een bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst zou rechtvaardigen en heeft [gedaagde01] een huurachterstand laten ontstaan die in een bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst zou rechtvaardigen. [eiser01] c.s. eist in deze zaak daarom ontruiming van de woning, vooruitlopend op een oordeel in een bodemprocedure. [gedaagde01] is het hier niet mee eens. De eis van [eiser01] c.s. wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde01] verblijft niet zonder recht of titel in de woning
1.2.
[gedaagde01] huurde de woning aanvankelijk op basis van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Toen [eiser01] c.s. eigenaar van de woning werd, heeft zij een nieuwe huurovereenkomst voor de bepaalde tijd van een jaar met [gedaagde01] gesloten. [eiser01] c.s. stelt zich nu op het standpunt dat die laatste huurovereenkomst is afgelopen en dat [gedaagde01] daarom de woning moet ontruimen. Naar het oordeel van de kantonrechter is het onvoldoende aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure daarin mee zal gaan. Het is namelijk in strijd met het wettelijk systeem om de huurbescherming, die [gedaagde01] op basis van de eerst huurovereenkomst had, op deze manier te omzeilen.
De door [eiser01] c.s. gestelde overlast is onvoldoende onderbouwd
1.3.
[eiser01] c.s. stelt verder dat er sprake is van overlast. De kantonrechter is van oordeel dat dit onvoldoende is onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de buren van [gedaagde01] verteld dat zij overlast van [gedaagde01] ervaren, maar daar tegenover staat de verklaring van [gedaagde01] zelf. [eiser01] c.s. heeft wel wat stukken in het geding gebracht, maar daar kan niet uit worden opgemaakt wie het gelijk aan de zijde heeft. [eiser01] c.s. heeft verder aangevoerd dat er allemaal videobeelden zijn, maar die heeft de kantonrechter niet gezien. Die beelden zijn tijdens de mondelinge behandeling ook niet bekeken, omdat [gedaagde01] dan onvoldoende gelegenheid zou hebben om daarop te reageren en bovendien ontbreekt dan een toelichting op die beelden (wie heeft de beelden gemaakt, wanneer zijn de beelden gemaakt, etcetera). Hoewel de kantonrechter ervan overtuigd is dat [gedaagde01] (enige) overlast veroorzaakt, is het in deze zaak niet aannemelijk geworden dat die overlast zo ernstig en structureel is dat het in een bodemprocedure tot een ontbinding van de huurovereenkomst zou leiden.
De huurachterstand kan ook niet leiden tot ontruiming van de woning
1.4.
Tot slot stelt [eiser01] c.s. dat er sprake is van een huurachterstand. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er discussie is over de omvang van de huurachterstand. Verder is niet weersproken dat er geen vroegsignalering heeft plaatsgevonden en er woont ook een minderjarig kind met [gedaagde01] in de woning. Dit alles maakt dat op dit moment onvoldoende vast staat dat de omvang van de huurachterstand in een bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst zou leiden. De huurachterstand is op zichzelf ook niet toewijsbaar, omdat [eiser01] c.s. daar geen spoedeisend belang bij heeft, althans hierover is niets gesteld.
[eiser01] c.s. moet de proceskosten van [gedaagde01] betalen
1.5.
[eiser01] c.s. krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag vast op € 529,00 aan salaris voor de gemachtigde. Voor kosten die [gedaagde01] maakt na deze uitspraak moet [eiser01] c.s. een bedrag betalen van € 132,00. Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2022:853).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
1.6.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

2.De beslissing

De kantonrechter:
2.1.
wijst de eis af;
2.2.
veroordeelt [eiser01] c.s. in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag worden vastgesteld op € 529,00;
2.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit proces-verbaal is op 19 juli 2023 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
38671