Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 26 januari 2023. Verzoeker staat sinds maart 2023 onder beschermingsbewind en is aangemeld bij schuldhulpverlening. De huur voor maart en april 2023 is reeds voldaan en verzoeker heeft een inkomen dat voldoende is om de huur te blijven betalen. De zoon van verzoeker heeft ook garant gestaan voor de huurbetalingen.
De verweerster ziet door de aanstelling van beschermingsbewind geen reden meer tot verzet en voert geen verweer. De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerster leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening onder de voorwaarde dat de huurbetalingen tijdig worden voldaan.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. De voorziening geldt voor zes maanden en verlengt de huurovereenkomst voor die periode.