De rechtbank Rotterdam behandelde een kort geding tussen vennoten A en B van een vennootschap onder firma die een bakkerij en fastfoodrestaurant exploiteren. Partijen zijn het eens over beëindiging van de vennootschap, maar verschillen van mening over wie de onderneming voorlopig mag voortzetten.
Vennoot B heeft de onderneming de afgelopen jaren feitelijk draaiende gehouden en geeft leiding aan personeel, terwijl vennoot A voornamelijk elders actief is. Er is een document van augustus 2022 waarin een constructieve wijziging en uitkoop lijken te zijn overeengekomen, hoewel de precieze inhoud onduidelijk is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat vennoot B de onderneming voorlopig mag voortzetten, mede omdat hij geen andere inkomsten heeft en het personeel en klanten tevreden zijn. De vorderingen van vennoot A om de dagelijkse leiding te krijgen en beperkingen op privé-onttrekkingen worden afgewezen. De vorderingen van vennoot B in reconventie, waaronder het uitschrijven van vennoot A uit het handelsregister en het overdragen van bankzaken, worden grotendeels toegewezen.
De rechtbank legt dwangsommen op voor niet-naleving van de veroordelingen en veroordeelt vennoot A in de proceskosten.