Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [naam01] en mevrouw [naam02] , beiden werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen bij vonnis van 15 maart 2023 vanwege niet-betaalde huur. Verzoeker verklaarde een inkomensdaling te hebben gehad door werkverlies en is momenteel student met beperkte inkomsten uit DUO, binnenkort aangevuld met inkomsten uit een bijbaan. Schuldhulpverlening is betrokken en zal spoedig budgetbeheer starten.
Verweerster, Stichting Woonstad Rotterdam, betoogde dat verzoeker ook na het verstekvonnis de huur niet tijdig betaalde en dat dit aanleiding vormt om het verzoek af te wijzen. De rechtbank oordeelde dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming op korte termijn zou plaatsvinden.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De lopende termijnen kunnen naar verwachting worden voldaan, mede door de inkomsten en het budgetbeheer. De voorlopige voorziening wordt daarom voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, vanwege het lopende minnelijk traject. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden opschort onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.