ECLI:NL:RBROT:2023:7420

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 augustus 2023
Publicatiedatum
22 augustus 2023
Zaaknummer
10409624
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:81 BWArt. 6:83 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:265 BW
Verwijzingen
17 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtsgeldige ontbinding huurkoopovereenkomst wegens betalingsachterstand en veroordeling tot schadevergoeding en teruggave auto

Hiltermann Lease B.V. heeft een huurkoopovereenkomst gesloten met [gedaagde 1] voor een Renault Mégane, waarbij [gedaagde 1] maandelijks een leasebedrag moest betalen. Door een betalingsachterstand vanaf augustus 2022 heeft Hiltermann de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. De gedaagden voerden aan dat problemen met de auto tot inkomstenverlies leidden, maar dit verweer werd verworpen omdat leasebetalingen ook bij defecten verschuldigd zijn.

De kantonrechter oordeelde dat op 28 februari 2023 sprake was van een ernstige tekortkoming en dat [gedaagde 1] daardoor in verzuim was. De ontbinding van de overeenkomst is rechtsgeldig verklaard. Gedaagde moet de auto binnen 72 uur na betekening teruggeven, onder dreiging van een gematigde dwangsom. Tevens is een schadevergoeding van €18.091,05 toegewezen, met wettelijke rente vanaf de verzuimdatum, waarbij de verkoopwaarde van de auto in mindering wordt gebracht bij inlevering.

De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is gematigd tot €946,45 en toekomstige schadeclaims wegens inname of aangifte van verduistering zijn afgewezen wegens onzekerheid. Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van proceskosten van €2.286,62. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurkoopovereenkomst is ontbonden, gedaagden worden veroordeeld tot teruggave van de auto en betaling van schadevergoeding met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10409624 CV EXPL 23-8343
datum uitspraak: 18 augustus 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Hiltermann Lease B.V.,
vestigingsplaats: Hoofddorp,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,
eiseres,
tegen

1..[gedaagde 1],

vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
vertegenwoordigd door: [gedaagde 2],
2.
[gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats 1],
die zelf procedeert,
3.
[gedaagde 3],
woonplaats: [woonplaats 2],
die niet is verschenen,
gedaagden.
De partijen worden hierna ‘Hiltermann’ en ‘gedaagden’ genoemd. De gedaagden worden afzonderlijk ‘[gedaagde 1]’, ‘[gedaagde 2]’ en ‘[gedaagde 3]’ genoemd.

1..De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 13 maart 2023, met bijlagen;
  • de aantekeningen van het mondelinge verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].
1.2.
Op 18 juli 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Namens Hiltermann waren hierbij [naam 1] (senior debiteurenbeheerder) en [naam 2] (namens de gemachtigde) aanwezig. De gedaagden zijn ook voor de zitting uitgenodigd, maar zij zijn niet verschenen, zonder dat zij zich van tevoren hebben afgemeld.

2..De beoordeling

Waar gaat het om?
2.1.
Hiltermann heeft een huurkoopovereenkomst (financial lease) met [gedaagde 1] gesloten. Op grond van die overeenkomst mocht [gedaagde 1] een Renault Mégane gebruiken, die het eigendom van Hiltermann is. In ruil daarvoor moest zij vijf jaar lang iedere maand een leasebedrag van € 242,33 betalen. Aan het eind van die vijf jaar zou de auto het eigendom van [gedaagde 1] worden, als zij alle leasebedragen zou hebben betaald. In deze procedure stelt Hiltermann dat [gedaagde 1] een betalingsachterstand heeft laten ontstaan. Ze eist dat de kantonrechter voor recht verklaart dat zij daarom terecht de overeenkomst heeft ontbonden. Verder eist ze dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld om de auto in te leveren (op straf van een dwangsom) en om te betalen:
  • € 18.997,25, met rente;
  • € 859,10 als Hiltermann de auto moet innemen;
  • € 211,75 als Hiltermann aangifte zou moeten doen;
  • de proceskosten.
2.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd. Zij hebben aangegeven dat er al binnen een maand problemen met de auto waren, waardoor zij deze een aantal keer niet konden gebruiken. Daardoor had [gedaagde 1] geen inkomsten en is een achterstand ontstaan.
2.3.
De kantonrechter wijst het grootste deel van de eisen van Hiltermann toe. In dit vonnis wordt dit oordeel toegelicht.
Tegen [gedaagde 3] wordt verstek verleend
2.4.
[gedaagde 2] heeft bij zijn mondelinge reactie aangegeven dat hij ook namens [gedaagde 3] reageerde. De kantonrechter heeft meegedeeld dat [gedaagde 2] daarvoor een machtiging moet overhandigen (artikel 80 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Dat heeft [gedaagde 2] niet gedaan. [gedaagde 3] is daarom niet in deze procedure verschenen. Aangezien de dagvaarding wel voldoet aan alle wettelijke vereisten, wordt tegen haar verstek verleend (artikel 139 Rv Pro).
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden hoofdelijk veroordeeld
2.5.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn de vennoten van [gedaagde 1]. Op grond van de wet zijn zij hoofdelijk verbonden aan de overeenkomsten van [gedaagde 1] (artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel). De veroordelingen uit dit vonnis worden daarom hoofdelijk uitgesproken, zoals ook door Hiltermann is geëist. Waar in dit vonnis wordt gesproken over [gedaagde 1], worden dus ook [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bedoeld.
De overeenkomst is rechtsgeldig ontbonden
2.6.
Hiltermann stelt dat [gedaagde 1] vanaf augustus 2022 een leasebedrag van € 242,33 per maand moest betalen en in augustus 2022 daarnaast € 181,50 aan administratiekosten. Zij stelt dat [gedaagde 1] alleen maar twee keer € 242,33 heeft betaald en daarna niets meer, ondanks aanmaningen van Hiltermann. Dit is door [gedaagde 1] niet betwist. Er was dus op 28 februari 2023 sprake van een achterstand van € 1.393,15 (5 x € 242,33 + € 181,50). Dit is een ernstige tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.
2.7.
[gedaagde 1] heeft in haar verweer aangevoerd dat de auto kapot was en dat zij daardoor geen inkomsten had. Als dit verweer klopt, is dit uiteraard heel vervelend voor [gedaagde 1], maar zij had dan nog steeds de leasebedragen moeten betalen. Dat staat namelijk in de algemene voorwaarden (artikel 14). Dat maakt de tekortkoming dus niet minder groot. Dat geldt nog meer omdat [gedaagde 1] bijna niets betaald heeft en ook niet gesteld of gebleken is dat de kapotte auto daar steeds de reden van was.
2.8.
Op 28 februari 2023 verkeerde [gedaagde 1] van rechtswege in verzuim, omdat in de overeenkomst staat dat de bedragen steeds voor de eerste dag van de maand betaald moeten worden (artikel 6:81 en Pro 83 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) in combinatie met artikel 2.3 van de overeenkomst). Hiltermann had gezien de ernstige tekortkoming van [gedaagde 1] het recht om de overeenkomst te ontbinden (artikel 6:265 BW Pro). Zij heeft dat op die dag gedaan. De verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden wordt daarom toegewezen.
[gedaagde 1] moet de auto afgeven
2.9.
Omdat de overeenkomst is ontbonden heeft [gedaagde 1] geen recht meer op het gebruik van de auto en moet zij die aan Hiltermann teruggeven (artikel 5:2 BW Pro). Deze eis van Hiltermann wordt toegewezen. Ook de dwangsom wordt toegewezen, omdat [gedaagde 1] tot vandaag de auto niet heeft ingeleverd, ondanks verzoeken van Hiltermann (artikel 611a Rv). De rechter matigt de dwangsom, ook met het oog op de waarde van de auto, tot € 200,- per dag, met een maximum van € 15.000,-.
[gedaagde 1] moet een schadevergoeding met wettelijke rente betalen
2.10.
Op grond van de wet moet [gedaagde 1] de schade vergoeden die Hiltermann door de ontbinding lijdt (artikel 6:277 BW Pro). Hiltermann heeft onbetwist gesteld dat haar schade bestaat uit de bedragen die zij nog van [gedaagde 1] zou hebben ontvangen op grond van de overeenkomst, min de verkoopwaarde van de auto. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde 1] volgens Hiltermann nog € 17.144,60 had moeten betalen, namelijk de achterstand van € 1.393,15 en 65 termijnen van € 242,33. De eis tot betaling van dit bedrag wordt daarom toegewezen, met de bepaling dat de waarde van de auto van deze schade moet worden afgetrokken, als [gedaagde 1] deze inlevert.
2.11.
Hiltermann eist over deze schadevergoeding de contractuele rente van 1,5% per maand. Die eis kan niet worden toegewezen. Deze betalingsverplichting vloeit namelijk niet voort uit de overeenkomst, maar uit de wet. Om dezelfde reden is ook de wettelijke handelsrente niet toewijsbaar (artikel 6:119a BW). De meer subsidiair geëiste wettelijke rente wordt daarom toegewezen (artikel 6:119 BW Pro).
De rente wordt toegewezen vanaf de verzuimdatum
2.12.
Hiltermann stelt dat de rente berekend tot 8 maart 2023 € 138,19 bedraagt. Ze heeft niet laten zien hoe dit bedrag is opgebouwd, maar gelet op 2.11 gaat de kantonrechter ervan uit dat dit verkeerd is berekend. De rente wordt daarom toegewezen vanaf de datum van verzuim. Dat is de datum van de ontbinding, 28 februari 2023 (artikel 6:83 sub b BW Pro).
[gedaagde 1] moet € 946,45 aan buitengerechtelijke kosten betalen
2.13.
Hiltermann eist op grond van de algemene voorwaarden een vergoeding van buitengerechtelijke kosten van 10% van de hoofdsom (artikel 53). Deze eis is niet toewijsbaar. De overeenkomst en daarmee de algemene voorwaarden zijn namelijk ontbonden, waardoor Hiltermann hier als hoofdregel geen beroep meer op kan doen (artikel 6:271 BW Pro) Het is niet gesteld of gebleken dat deze bepaling ook ziet op de periode na de ontbinding, zodat er geen reden is van die hoofregel af te wijken. De kantonrechter wijst daarom een vergoeding toe van € 946,45. Dat is het bedrag dat volgt uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.
De vergoeding van mogelijke toekomstige schade wordt afgewezen
2.14.
Hiltermann eist ten slotte dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld om € 859,10 en € 211,75 aan haar te betalen, voor het geval [gedaagde 1] de auto niet inlevert en Hiltermann tot inname moet overgaan of eventueel aangifte van verduistering moet doen. Deze eisen worden afgewezen. Het is namelijk nog niet zeker dat Hiltermann deze schade zal lijden en hoe hoog de schade zal zijn.
[gedaagde 1] moet de proceskosten betalen
2.15.
[gedaagde 1] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van Hiltermann tot vandaag vast op € 110,62 aan dagvaardingskosten, € 1.384,- aan griffierecht en € 792,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 396,-). Dit is totaal € 2.286,62. Voor kosten die Hiltermann maakt na deze uitspraak moet [gedaagde 1] een bedrag betalen van € 132,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.16.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3..De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomst tussen partijen, met betrekking tot de Renault Mégane met kenteken [kenteken], is ontbonden;
3.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat wanneer de een voldoet de anderen zullen zijn bevrijd, om de Renault Mégane met kenteken [kenteken] binnen 72 uur na betekening van dit vonnis af te geven aan Hiltermann, op straf van een dwangsom van € 200,- per dag dat zij dit nalaat, met een maximum van € 15.000,-;
3.3.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat wanneer de een betaalt de ander voor dat deel is bevrijd, om aan Hiltermann € ‭18.091,05 te betalen, met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro over € 17.144,60 vanaf 28 februari 2023, tot de dag dat volledig is betaald;‬‬‬‬‬‬‬‬‬‬
3.4.
bepaalt dat wanneer gedaagden voldoen aan de veroordeling onder 3.2, de verkoopwaarde van de auto in mindering strekt op de betalingsverplichting uit de veroordeling onder 3.3;
3.5.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Hiltermann tot vandaag worden vastgesteld op € 2.286,62;
3.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
33394