De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiseres tegen vier bestuurlijke boetes die de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan haar had opgelegd wegens overtredingen van de Wet dieren. De boetes betroffen zichtbare verontreinigingen op schapen- en runderkarkassen die niet onmiddellijk werden verwijderd, wat in strijd is met de geldende hygiënevoorschriften.
De minister baseerde zijn besluiten op rapporten van toezichthouders van de NVWA die heterdaadbevindingen deden van mest, haren en andere bezoedelingen op karkassen. Eiseres voerde diverse beroepsgronden aan, waaronder schending van de cautieplicht, overschrijding van de wettelijke termijn, vooringenomenheid van toezichthouders, dubbele bestraffing, onrechtmatige cumulatie van boetes, schending van de hoorplicht en onredelijke hoogte van de boetes.
De rechtbank verwierp alle beroepsgronden behalve die over de overschrijding van de redelijke termijn. De termijn van dertien weken voor het opleggen van boetes was overschreden met 11 tot 15 weken. Dit leidde tot matiging van de boetes met 5%, waarbij drie boetes werden verlaagd van € 2.500,- naar € 2.375,- en één boete van € 5.000,- naar € 4.750,-. Tevens werd de Staat der Nederlanden veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten wegens de overschrijding.
De rechtbank oordeelde dat de boetes terecht waren opgelegd en dat er geen sprake was van dubbele bestraffing of schending van procedurele rechten. De matiging vond plaats vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de belangen van eiseres niet anderszins waren geschaad. De uitspraak bevestigt het belang van naleving van hygiënevoorschriften en de wettelijke termijnen bij bestuursrechtelijke handhaving.