ECLI:NL:RVS:2018:2115
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bestuurlijke boete kinderopvang wegens ontbreken waarschuwing voorafgaand aan boeteoplegging
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellante een bestuurlijke boete van €6.000 op wegens overtredingen van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp), met name het niet naleven van groepsgrootte en beroepskracht/kind-ratio. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het boetebesluit, dat door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep stelde appellante dat de inspecteur die het rapport opstelde niet bevoegd was en dat de cautie voorafgaand aan het inspectiebezoek ontbrak. De Afdeling oordeelde dat de inspecteurs bevoegd waren onder mandaat van de directeur GGD en dat de cautieplicht niet gold voor de werknemers die werden gehoord.
Het belangrijkste betoog van appellante was dat het college niet had voldaan aan het handhavingsbeleid waarin een waarschuwing voorafgaand aan een boete vereist is. De Afdeling stelde vast dat het college niet kon aantonen dat appellante een dergelijke waarschuwing had ontvangen, omdat de brief niet aantoonbaar was verzonden en niet tijdig was gedateerd. Hierdoor was het opleggen van de boete zonder waarschuwing in strijd met het beleid.
De Afdeling vernietigde daarom het bestreden besluit en het boetebesluit en verklaarde het hoger beroep gegrond. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €6.000 wordt vernietigd wegens het ontbreken van een vereiste waarschuwing voorafgaand aan de boeteoplegging.