De huurder [gedaagde] huurt sinds 2009 een woning van Stichting Woonstad Rotterdam. Woonstad vordert ontruiming wegens ernstige overlast, waaronder racistische uitscheldpartijen en bedreigingen, en daarnaast betaling van huurpenningen en schadevergoeding vanwege onverhuurbaarheid van een andere woning.
De rechtbank oordeelt dat hoewel overlast is vastgesteld, onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat deze zodanig structureel is dat onmiddellijke ontruiming noodzakelijk is. Incidenten uit 2018 en 2023 zijn ernstig, maar vormen geen patroon van voortdurende overlast. Bemoeizorg en behandeling van de huurder hebben geleid tot rustiger periodes.
Het belang van de huurder bij behoud van zijn woning, mede gezien zijn psychische problematiek, weegt zwaarder dan het belang van de verhuurder. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de andere woning onverhuurbaar is. De vorderingen tot ontruiming, huurbetaling en schadevergoeding worden afgewezen. Woonstad wordt veroordeeld in de proceskosten.