De heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam legde op 8 januari 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op aan eiser ter hoogte van €67,86. Eiser diende op 1 april 2022 een bezwaarschrift in, stellende dat hij pas op 8 maart 2022 van de aanslag op de hoogte was gebracht. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening.
De rechtbank onderzocht de verzendadministratie en concludeerde dat de aanslag op 5 januari 2022 correct was verzonden en dat eiser geen feiten had gesteld die de ontvangst betwijfelen. De rechtbank verwierp het beroep op schending van de hoorplicht omdat verweerder terecht van het horen kon afzien gezien de duidelijke niet-tijdigheid. Ook werd geoordeeld dat verweerder niet verplicht was stukken ter inzage te leggen omdat er geen hoorzitting was gehouden.
Ten aanzien van de bevoegdheid oordeelde de rechtbank dat de directeur Belastingen als heffings- en invorderingsambtenaar bevoegd was de aanslag op te leggen en het bezwaar te behandelen, en dat mandaatregels niet waren geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de naheffingsaanslag in stand blijft. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.