Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2023:8847

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 augustus 2023
Publicatiedatum
21 september 2023
Zaaknummer
10186532 CV EXPL 22-34368
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:75 BWArt. 6:92 lid 1 BWArt. 6:92 lid 2 BWArt. 6:94 lid 1 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhuurder moet huurder gelijkwaardige woning leveren en boete matigen

Huurster [eiseres01] huurde een woning van verhuurder [gedaagde01] en maakte afspraken over het verlaten van de woning en het verkrijgen van een gelijkwaardige woning uiterlijk 30 juli 2022. Verhuurder stelde geen passende woning ter beschikking, wat in strijd is met de overeenkomst.

Verhuurder voerde overmacht aan vanwege het vertrek van Oekraïense arbeidskrachten en beslaglegging door het Openbaar Ministerie, maar de rechtbank oordeelde dat dit geen geldige reden is omdat verhuurder andere mogelijkheden had en geen serieuze pogingen tot nakoming heeft gedaan.

De rechtbank veroordeelde verhuurder om binnen vier weken een woning aan te bieden conform de overeenkomst. De eenmalige boete van € 5.000,- wordt afgewezen omdat huurder nakoming vordert, maar de boete van € 750,- per week wegens vertraging wordt toegewezen en gematigd tot € 200,- per week. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen. De vordering tot een dwangsom wordt afgewezen.

Uitkomst: Verhuurder moet binnen vier weken een passende woning leveren en een gematigde boete betalen wegens vertraging.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10186532 CV EXPL 22-34368
datum uitspraak: 25 augustus 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. Y.E. Palit,
tegen
[gedaagde01],
woonplaats: [woonplaats02] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.R. Dill.
De partijen worden hierna [eiseres01] en [gedaagde01] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 3 november 2022, met bijlagen;
  • de rolbeslissing van de kantonrechter van 28 december 2022;
  • het herstelexploot van 10 januari 2023;
  • het antwoord;
  • de mail van [eiseres01] van 14 april 2023, met een bijlage.
1.2.
De zaak is op 24 april 2023 tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • [eiseres01] , [naam01] , M.A. Budak (tolk) met mr. Y.E. Palit en
  • [gedaagde01] met mr. M.R. Dill.

2.De feiten

2.1.
[eiseres01] huurde van [gedaagde01] de woning aan de [adres01] ( [postcode01] ) in Dordrecht. Partijen hebben op 28 april 2022 de volgende afspraken gemaakt:
“(…)
VERKLARING TOT OVEREENSTEMMING WONING”
(…)
[eiseres01] zal de woning aan de [adres01] 28 april 2022 verlaten, zodat [gedaagde01] de woning kan doen renoveren. [eiseres01] zal tijdelijk bij derden verblijven.
Beide partijen zijn tot de overeenstemming gekomen dat [gedaagde01] zo spoedig mogelijk, uiterlijk 30 juli 2022 een gelijkwaardige woning aan de [straatnaam01] te Rotterdam, met een tuin, of andere door [eiseres01] geaccepteerde woning, verhuurt aan [eiseres01] , onder de voorwaarde dat de woning aan de [adres01] te Dordrecht geheel ontruimd en leeg opgeleverd zal worden per 28 april 2022.
Partijen hebben afgesproken dat de woning aan de [straatnaam01] , of een ander door [eiseres01] geaccepteerd adres, aan de volgende voorwaarden zal voldoen. Zelfstandige woonruimte met een slaapkamer aan de begane grond, met tuin voor het maximale bedrag van € 750,-, exclusief kosten per maand.
(…)
Indien dhr. [gedaagde01] zijn afspraken niet nakomt om een andere gelijkwaardige woning voor 30 juli 2022 te leveren, is hij verplicht eenmalig een schadevergoeding van € 5.000,- aan [eiseres01] te vergoeden naast € 750,- per verstreken week na 30 juli 2022, dat hij in gebreke blijft een gelijksoortige woning aan [eiseres01] aan te bieden, uit te keren aan [eiseres01] .
(…)”

3.Het geschil

3.1.
[eiseres01] eist samengevat:
  • [gedaagde01] te veroordelen tot nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst van 28 april 2022, waaronder het leveren van een vergelijkbare woning en het uitkeren van de verbeurde boetes aan [eiseres01] , op straffe van een dwangsom van € 150,- per dag;
  • [gedaagde01] te veroordelen aan [eiseres01] een schadevergoeding te betalen van € 15.000,-;
  • voor recht te verklaren dat [gedaagde01] een (eenmalige) schadevergoeding is verschuldigd van € 5.000,-;
  • voor recht te verklaren dat [gedaagde01] met ingang van 31 juli 2022 aan [eiseres01] een vergoeding betaalt van € 750,- per verstreken week;
  • [gedaagde01] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente aan [eiseres01] vanaf 31 juli 2022 tot aan de dag van volledige betaling;
  • [gedaagde01] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 3.902,25, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2022;
  • [gedaagde01] te veroordelen in de proceskosten met rente en nakosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
[gedaagde01] is het niet eens met de eis en voert verweer. Daarop zal hierna - voor zover van belang - worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiseres01] heeft de woning aan de [adres01] op 28 april 2022 ontruimd en de sleutels bij [gedaagde01] ingeleverd. [gedaagde01] heeft niet een vergelijkbare woning aan de [straatnaam01] in Rotterdam of een andere door [eiseres01] geaccepteerde woning aan [eiseres01] ter beschikking gesteld. Dat is in strijd met de tussen partijen gemaakte afspraken.
geen overmacht
4.2.
[gedaagde01] beroept zich op overmacht. Hij voert aan dat de woning aan de [straatnaam01] , die bedoeld was voor [eiseres01] , werd gerenoveerd door Oekraïense arbeidskrachten. Deze hebben hun werk neergelegd en zijn vertrokken naar Oekraïne. Hierdoor kon de renovatie niet doorgaan en liggen de werkzaamheden aan de woning stil. Dit rechtvaardigt echter geen beroep op overmacht. Dit is namelijk een omstandigheid die voor rekening van [gedaagde01] komt (artikel 6:75 BW Pro). Het lag op zijn weg om andere arbeidskrachten in te huren om de renovatie te voltooien.
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde01] verklaard dat het Openbaar Ministerie beslag heeft gelegd op al zijn woningen, waaronder de woning aan de [straatnaam01] . Die woningen mogen niet worden verkocht en mogen ook niet worden bezwaard met andere rechten (zoals verhuur). [gedaagde01] kan volgens zijn zeggen daarom geen woning aan [eiseres01] beschikbaar stellen.
4.4.
[gedaagde01] zou echter een woning ter beschikking kunnen stellen die niet binnen zijn bestand van woningen valt en waar geen beslag op rust. De afspraken (zie hierboven 2.1.) houden niet in dat [gedaagde01] alleen woningen uit zijn eigen bestand hoeft aan te bieden. Er bestaat voor [gedaagde01] dus geen onmogelijkheid tot nakoming. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde01] serieuze pogingen daartoe heeft ondernomen. Het beroep op overmacht gaat daarom niet op. [gedaagde01] wordt veroordeeld om uiterlijk binnen vier weken na de datum van dit vonnis een woning aan te bieden aan [eiseres01] volgens de voorwaarden zoals genoemd in de overeenkomst van 28 april 2022.
contractuele boetes
4.5.
In de overeenkomst staat dat indien [gedaagde01] voor 30 juli 2022 geen woning aan [eiseres01] ter beschikking stelt, die voldoet aan de voorwaarden als vermeld in de overeenkomst, hij een schadevergoeding van € 5.000,- aan [eiseres01] moet betalen en een vergoeding van € 750,- per verstreken week na 30 juli 2022 dat hij in gebreke is met het ter beschikking stellen van een woning. Uit de dagvaarding van [eiseres01] blijkt dat zij deze bedragen opvat als door [gedaagde01] verbeurde boetes (dagvaarding randnummer 25).
boete van € 5.000,-
4.6.
Het uitgangspunt is dat een schuldeiser niet zowel de nakoming van de primaire verbintenis als van het boetebeding kan vorderen: hij moet een keuze maken tussen ófwel nakoming van de primaire verbintenis ófwel betaling van de contractuele boete (artikel 6:92 lid 1 BW Pro). Dit zou anders kunnen zijn wanneer het boetebeding ook is bedoeld als prikkel tot nakoming maar dat is niet althans onvoldoende gesteld en onderbouwd. Nu [eiseres01] ervoor heeft gekozen eerst nakoming te vorderen, is de consequentie dat [eiseres01] geen beroep toekomt op de eenmalige boete van € 5.000,-. Dit onderdeel van de vordering wordt daarom afgewezen.
vertraging
4.7.
De boete van € 750,- per week ziet op de vertraging in het door [gedaagde01] nakomen van de verbintenis (het beschikbaar stellen van een andere woning). Deze boete - die het karakter heeft van een forfaitaire schadevergoeding - kan wel worden gevorderd naast nakoming.
4.8.
[gedaagde01] doet een beroep op matiging van de boete tot nihil. Op grond van artikel 6:94 lid 1 BW Pro kan de rechter een bedongen boete matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad kan een boete alleen worden gematigd indien toepassing van het boetebeding tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat leidt.
4.9.
In dit geval acht de kantonrechter de boete te hoog (buitensporig) in verhouding tot de schade van [eiseres01] . De rechtstreekse financiële schade van [eiseres01] is beperkt gebleven tot
€ 159,- (dagvaarding productie 4). Dat zijn de kosten die zij heeft moeten maken voor het tijdelijk opslaan van haar eigendommen bij Shurgard. [eiseres01] heeft verklaard na 28 april 2022 bij vrienden en familie te hebben verbleven en soms ook in haar auto te hebben overnacht. Zij heeft niet gesteld dat zij daarvoor kosten heeft gemaakt. De kantonrechter kan zich daarentegen makkelijk voorstellen dat [eiseres01] door het niet beschikbaar krijgen van een andere woning stress heeft ondervonden en dat voor haar de kwaliteit van wonen ernstig is verminderd wat als een vorm van immateriële schade kan worden aangemerkt. De kantonrechter zal de verbeurde boetes matigen en stelt deze vast op een bedrag van € 200,- per week, te rekenen vanaf 31 juli 2022. De gevorderde wettelijke rente over de boetes wordt toegewezen vanaf 10 januari 2023 en, voor na deze datum vervallen boetes, vanaf de dag van opeisbaarheid van de boete.
geen recht op aanvullende schadevergoeding
4.10.
In beginsel kan een partij niet meer vorderen dan de bedongen boete: de boete treedt in de plaats van de schadevergoeding op grond van de wet (artikel 6:92 lid 2 BW Pro). Partijen hebben geen afwijkende afspraken gemaakt. [eiseres01] heeft daarom geen aanspraak op een aanvullende schadevergoeding. Het bedrag van de aanvullende schadevergoeding heeft zij ook niet onderbouwd.
afwijzing dwangsom
4.11.
[eiseres01] wil dat de kantonrechter aan de nakomingsverplichting van [gedaagde01] een dwangsom verbindt. De kantonrechter ziet echter geen aanleiding om naast de hierboven bij 4.9. genoemde boete een dwangsom op te leggen en wijst deze vordering af.
buitengerechtelijke incassokosten
4.12.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 887,- toegewezen. Dit is het bedrag waarop [eiseres01] recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (uitgaande van de tot de datum van dit vonnis verschuldigde boetes). [eiseres01] heeft niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger waren of dat het redelijk was om hogere kosten te maken. De rente over de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat [eiseres01] niet heeft gesteld dat zij deze kosten al heeft betaald.
proceskosten
4.13.
[gedaagde01] krijgt voor het grootste deel ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiseres01] tot vandaag vast op € 127,43 aan dagvaardingskosten, € 86,- aan griffierecht en € 528,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 264,-). Dit is totaal € 741,43. Voor kosten die [eiseres01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 132,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853). De wettelijke rente wordt toegewezen.
uitvoerbaarheid bij voorraad
4.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde01] om binnen vier weken na dit vonnis aan [eiseres01] een woning ter beschikking te stellen die voldoet aan de vereisten zoals vermeld in de overeenkomst van 28 april 2022;
5.2.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiseres01] te betalen € 200,- per week, te rekenen vanaf 31 juli 2022, dat hij in gebreke is aan [eiseres01] een woning ter beschikking te stellen die voldoet aan de vereisten zoals vermeld in de overeenkomst van 28 april 2022, met de wettelijke rente hierover vanaf 10 januari 2023 en, voor na deze datum vervallen boetes, vanaf de dag van opeisbaarheid van de boete tot de dag dat volledig is betaald;
5.3.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiseres01] te betalen € 887,- als buitengerechtelijke incassokosten;
5.4.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres01] tot vandaag worden vastgesteld op € 741,43 met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken.
47636