De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak van een verdachte die werd verdacht van het opzettelijk buiten Nederland brengen van ongeveer 2.010 gram MDMA. De verdachte werd aangehouden op de snelweg A-16 nabij Dordrecht terwijl hij met de drugs in de auto reed. Hoewel de officier van justitie een gevangenisstraf van 24 maanden vorderde, sprak de rechtbank de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit van uitvoer, omdat onvoldoende bewijs bestond dat de drugs daadwerkelijk het Nederlandse grondgebied zouden verlaten.
Wel werd de verdachte veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde feit, namelijk het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van ruim 2 kilo MDMA. Dit werd wettig en overtuigend bewezen verklaard. De rechtbank achtte het feit ernstig vanwege de schadelijke effecten van MDMA op de volksgezondheid, de milieuschade door productie en de maatschappelijke ontwrichting door de handel.
De verdachte was niet eerder veroordeeld en was op het moment van het strafbare feit jong. Daarom legde de rechtbank een gevangenisstraf op van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Tevens werd de verdachte vrijgesteld van de tenuitvoerlegging van de voorwerpen (telefoons en simkaarten) die in beslag waren genomen. De straf weerspiegelt de ernst van het feit en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.