ECLI:NL:RBROT:2023:945

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 januari 2023
Publicatiedatum
10 februari 2023
Zaaknummer
10-218576-20
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:14 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tussentijdse beoordeling ISD-maatregel na beëindiging

Op 21 december 2020 werd aan de veroordeelde een ISD-maatregel opgelegd voor de duur van twee jaar, welke op 26 december 2022 is geëindigd.

Op 3 december 2022 diende de veroordeelde een verzoek in tot tussentijdse beoordeling van de noodzaak van voortzetting van de ISD-maatregel. Ondanks dat de maatregel toen al was geëindigd, verzocht de raadsman de rechtbank het verzoek te behandelen.

De officier van justitie stelde dat de veroordeelde niet-ontvankelijk was omdat het belang ontbrak. De raadsman betoogde dat een ex tunc beoordeling mogelijk is en dat de maatregel onrechtmatig was toegepast, onder meer vanwege het ontbreken van een geldig terugkeerbesluit en het gebruik van de maatregel voor een ander doel dan bedoeld.

De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 6:6:14 Sv Pro de toetsing moet plaatsvinden naar de actuele stand van zaken. Omdat de ISD-maatregel reeds was geëindigd, ontbrak het belang en werd de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak werd op 11 januari 2023 door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam uitgesproken.

Uitkomst: Veroordeelde is niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel omdat deze maatregel reeds is geëindigd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10-218576-20
Datum uitspraak: 11 januari 2023
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 6:6:14 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in de zaak tegen de veroordeelde:
[veroordeelde01] ,
geboren te [geboorteplaats01] (Algerije) op [geboortedatum01] 1978,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,
raadsman mr. G.A. Dorsman, advocaat te Rotterdam.

1.Inleiding

Bij vonnis van deze rechtbank van 21 december 2020 is aan de veroordeelde opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. De ISD-maatregel is geëindigd op 26 december 2022.

2.Procesverloop

Op 3 december 2022 heeft de griffie van de rechtbank een namens de veroordeelde gedaan verzoek ontvangen als bedoeld in artikel 6:6:14, eerste lid, Sv tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISDmaatregel. Hoewel de ISD-maatregel op 26 december 2022 inmiddels was geëindigd, heeft de raadsman van de veroordeelde de rechtbank verzocht het verzoekschrift toch te behandelen.
De zaak is behandeld op de openbare terechtzitting van 11 januari 2023. De officier van justitie mr. E.J. de Groot en de raadsman van de veroordeelde zijn gehoord. Via beeldverbinding was aanwezig dhr. [naam01] , casemanager VRIS/ISD in de penitentiaire inrichting ter Apel.

3.Standpunten van partijen

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de veroordeelde in het verzoek tot tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel. De ISD-maatregel is reeds geëindigd en daarmee ontbreekt het belang van de veroordeelde bij een beslissing omtrent de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging daarvan.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de ISD-maatregel met terugwerkende kracht had moeten worden beëindigd en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
De wet verbiedt niet dat de beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel ‘ex tunc’ plaatsvindt. De raadsman stelt zich op het primaire standpunt dat ex tunc dient te worden beoordeeld vanaf de datum van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 3 maart 2022 en op het subsidiaire standpunt dat dit ex tunc dient te worden beoordeeld vanaf de datum van het verzoekschrift d.d. 3 december 2022.
De raadsman heeft verder betoogd dat de ISD-maatregel in het geval van de veroordeelde is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die gegeven is. De ISD-maatregel werd gebruikt om een verslaving te behandelen en voor de terugkeer naar eigen land. De veroordeelde is echter van mening dat niet is vastgesteld dat sprake is van een verslaving. Daarnaast verblijft de veroordeelde niet illegaal in Nederland, omdat een geldig terugkeerbesluit ontbreekt. De raadsman verwijst daarbij naar de door hem per e-mail toegezonden uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, d.d. 25 november 2022. Hieruit volgt dat er sprake is van een gebrek bij de totstandkoming van het terugkeerbesluit. Tegen de instandhouding van het besluit is door de veroordeelde hoger beroep ingesteld.
Hiermee is de wijze van tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel jegens de veroordeelde onrechtmatig geweest.

4.Beoordeling

Gebleken is dat de ISD-maatregel op het moment van de behandeling van het verzoek door de rechtbank reeds is geëindigd, namelijk toen op 26 december 2022 de duur waarvoor de maatregel was opgelegd was verstreken. Anders dan de verdediging heeft betoogd, dient de rechtbank op basis van artikel 6:6:14 Sv Pro naar de stand van zaken van nu te toetsen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is dan wel of de ISD-maatregel beëindigd dient te worden (vgl. Gerechtshof Arnhem 13 september 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY3971). Doordat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel al is geëindigd, heeft de veroordeelde geen belang meer heeft bij het verzoek om een tussentijdse toets van de noodzaak tot voorzetting daarvan. Om die reden moet hij in het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.Beslissing

De rechtbank:
verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het verzoek tot tussentijdse beoordeling van de ISD-maatregel.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. A.J.P. van Essen, voorzitter,
en mrs. J.J. Willemsen en D.F. Smulders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2023.