ECLI:NL:RBROT:2023:9564

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 oktober 2023
Publicatiedatum
16 oktober 2023
Zaaknummer
10303920 \ CV EXPL 23-3099
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wetboek van KoophandelArt. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke veroordeling voor niet-betaalde factuur advertentieplaatsing

Goodwill Media B.V. vordert betaling van een factuur van €441,65 voor het plaatsen van een advertentie in een vakblad, welke door de gedaagde VOF niet is voldaan. De gedaagde partij betwist de vordering onder meer met het argument dat de opdracht binnen een week was geannuleerd en dat de advertentie fouten bevatte.

De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst op 14 oktober 2020 telefonisch tot stand is gekomen en schriftelijk bevestigd is. De gedaagde partij heeft niet gereageerd op de repliek en heeft haar stellingen niet onderbouwd, waardoor de kantonrechter uitgaat van de juistheid van de feiten zoals door Goodwill Media gesteld.

De vordering tot betaling van het factuurbedrag, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen. De vennoten van de VOF worden hoofdelijk aansprakelijk gehouden op grond van artikel 18 van Pro het Wetboek van Koophandel. Daarnaast worden de proceskosten aan de zijde van Goodwill Media vastgesteld op €700,64 en wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De VOF en haar vennoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de factuur, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10303920 / CV EXPL 23-3099
datum uitspraak: 13 oktober 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Goodwill Media B.V.,
gevestigd in Apeldoorn,
eiseres,
gemachtigde: LikiFin te Rotterdam,
tegen

1.[gedaagde 1],

gevestigd in [vestigingsplaats],
gedaagde sub 1,
vertegenwoordigd door gedaagden sub 2 en 3,
2. [gedaagde 2],
wonende in [woonplaats 1],
gedaagde sub 2,
procederend in persoon,
3. [gedaagde 3],
wonende in [woonplaats 2],
gedaagde sub 3,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna ‘Goodwill Media’, ‘[gedaagde 1]’, ‘[gedaagde 2]’ en ‘[gedaagde 3]’ genoemd. De gedaagden worden hierna gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud ‘[gedaagde partij]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 19 januari 2023, met bijlagen;
  • de rolbeslissing van 23 februari 2023;
  • het herstelexploot van 6 maart 2023;
  • het antwoord van [gedaagde partij];
  • de repliek, met bijlagen;
  • de rolbeslissing van 28 juli 2023.
1.2.
[gedaagde partij] heeft niet op de repliek gereageerd, terwijl zij daar wel toe in de gelegenheid is gesteld op de rolzitting van 13 september 2023.
1.3.
De uitspraak van dit vonnis is vervolgens bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn vennoten van [gedaagde 1]. [gedaagde 1] heeft aan Goodwill Media opdracht gegeven om een advertentie te plaatsen in de Bouw en Agri April 2021 van het Puzzel- en Kleurboek voor de Medisch Kinderdagverblijven en Dementie Zorgcentra. Voor die advertentie heeft Goodwill Media [gedaagde 1] een factuur van € 441,65 gestuurd. [gedaagde 1] heeft die factuur niet betaald. Daarom vordert Goodwill Media in deze zaak dat [gedaagde partij] hoofdelijk wordt veroordeeld om het factuurbedrag (met rente en kosten) aan haar te betalen. [gedaagde partij] is het hier niet mee eens, omdat (1) de opdracht binnen een week weer is geannuleerd, (2) nooit een drukproef aan [gedaagde partij] is voorgelegd, (3) in de advertentie een verkeerd e-mailadres en een verkeerde website waren vermeld en (4) het in rekening gebrachte bedrag niet in verhouding staat met de grootte van de geplaatste advertentie. De kantonrechter wijst de vordering van Goodwill Media toe. Hierna legt de kantonrechter uit waarom hij tot deze beslissing gekomen is.
De factuur moet nog worden betaald
2.2.
Goodwill Media heeft bij repliek onweersproken gesteld dat (a) de overeenkomst op 14 oktober 2020 tot stand is gekomen in een telefoongesprek met de voormalig vennoot van [gedaagde 1], [naam], (b) de gemaakte afspraken vervolgens zijn vastgelegd in een opdrachtbevestiging die op 19 oktober 2020 aan het door [naam] opgegeven e-mailadres ([e-mailadres]) is verzonden, (c) zij op 7 april 2021 een proefdruk aan [gedaagde 1] heeft gezonden met het verzoek om - zo nodig - te reageren en dat [gedaagde 1] daar niet op heeft gereageerd, (d) zij het door [naam] opgegeven e-mailadres in de proefdruk heeft opgenomen en dat het e-mailadres en de website dus niet van een “concurrent” zijn en (e) dat de feitelijk geplaatste advertentie voldoet aan de specificaties die in de opdrachtbevestiging zijn opgenomen. Goodwill Media betwist verder dat [gedaagde 1] de overeenkomst binnen een week heeft geannuleerd.
2.3.
Omdat [gedaagde partij] de stellingen van Goodwill Media onweersproken heeft gelaten en geen gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid om op de rolzitting van 13 september 2023 te reageren op de nadere stellingen van Goodwill Media, moet de kantonrechter in deze zaak uitgaan van de juistheid van de stellingen van Goodwill Media. Dit betekent dat de verwijten van Goodwill Media hiervoor in 2.1. onder (2), (3) en (4) ongegrond zijn. [gedaagde partij] heeft weliswaar gesteld dat zij de opdracht voor het plaatsen van een advertentie binnen een week telefonisch heeft geannuleerd, maar Goodwill Media heeft dat betwist en [gedaagde partij] heeft haar stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagde partij] gelegen om naar aanleiding van de betwisting van Goodwill Media in ieder geval te concretiseren op welke datum zij de opdracht precies zou hebben geannuleerd en welke medewerker van Goodwill zij toen heeft gesproken. Dat heeft zij echter niet gedaan. Aan bewijslevering wordt daarom, nog los van de omstandigheid dat [gedaagde 1] geen bewijs heeft aangeboden, niet toegekomen en het verweer dat de opdracht tijdig zou zijn geannuleerd wordt verworpen.
2.4.
De vordering van Goodwill Media tot betaling van het factuurbedrag van € 441,65 is dan ook toewijsbaar.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente
2.5.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 66,25 wordt toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze vergoeding te krijgen (artikel 6:96 BW Pro). De wettelijke rente - waaronder een bedrag van € 12,10 aan rente berekend tot 13 januari 2023 - wordt ook toegewezen, omdat Goodwill Media genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde partij] dat overigens niet heeft betwist.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de eis van Goodwill Media
2.6.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn als vennoten van [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk voor de eis van Goodwill Media (zie artikel 18 van Pro het Wetboek van Koophandel). Daarom worden zij samen met [gedaagde 1] hoofdelijk veroordeeld om de hiervoor genoemde bedragen aan Goodwill Media te betalen.
De proceskosten
2.7.
[gedaagde partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van Goodwill Media tot vandaag vast op € 114,64 aan dagvaardingskosten, € 322,00 aan griffierecht en € 264,00 aan salaris voor de gemachtigde. Dit is totaal € 700,64. Voor kosten die Goodwill Media maakt na deze uitspraak moet [gedaagde partij] een bedrag betalen van € 66,00. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2022:853).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde partij] hoofdelijk om aan Goodwill Media te betalen € 520,00, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over € 441,65 vanaf 13 januari 2023 tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt [gedaagde partij] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Goodwill Media tot vandaag worden vastgesteld op € 700,64;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
38671