De Staat der Nederlanden legde op 26 januari 2023 derdenbeslag op het salaris van een werknemer bij [bedrijf01]. De Staat vorderde betaling van een bedrag van €446,71 omdat [bedrijf01] niet binnen vier weken een derdenverklaring had ingediend, zoals vereist volgens artikel 476b Rv. [bedrijf01] stelde dat zij de verklaring tijdig had ingediend en dat er afspraken waren gemaakt om geen beslag te leggen, wat door de Staat werd betwist.
De rechtbank oordeelde dat [bedrijf01] onvoldoende had gesteld om aan te tonen dat de Staat had toegezegd geen beslag te leggen en dat de verklaring niet aantoonbaar was ontvangen door de Staat. In de procedure legde [bedrijf01] alsnog een gerechtelijke derdenverklaring over, die voldoende onderbouwd was en door de Staat niet werd betwist. Hierdoor was geen grond meer voor veroordeling tot betaling van het bedrag waarvoor beslag was gelegd.
De vordering van [bedrijf01] tot een symbolische boete wegens onnodige procedure werd afgewezen, omdat de Staat rechtmatig handelde. De rechtbank veroordeelde [bedrijf01] wel in de proceskosten, omdat de procedure vermeden had kunnen worden bij tijdige verklaring. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.