In deze zaak staat centraal of gedaagde, ondanks het ontbreken van een handtekening onder de raamovereenkomst, gebonden is aan de daarin opgenomen relatiebeding. De kantonrechter stelt vast dat gedaagde bekend was met de inhoud van de overeenkomst en uitvoering heeft gegeven aan de afspraken, waardoor hij juridisch aan de overeenkomst is gebonden.
Vast staat dat gedaagde zonder schriftelijke toestemming werkzaamheden verrichtte voor een andere partij binnen hetzelfde project, wat een schending van het relatiebeding inhoudt. De kantonrechter wijst het verweer van gedaagde af dat het boetebeding onredelijk zou zijn en dat een ingebrekestelling vereist is.
De boete van € 5.000,- wordt verrekend met de openstaande facturen van gedaagde, waardoor een restantvordering van € 2.525,- aan CCT overblijft. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente toegewezen. De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.