ECLI:NL:RBROT:2023:9707

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 oktober 2023
Publicatiedatum
19 oktober 2023
Zaaknummer
ROT 23/3891
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:10a Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediende ingebrekestelling bij uitblijven besluit toeslagen

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een beschikking van de Belastingdienst/Toeslagen over kinderopvangtoeslag en beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op dat bezwaar. De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van de Algemene wet bestuursrecht binnen twaalf weken na afloop van de bezwaartermijn een besluit moest nemen. Eiseres heeft echter een ingebrekestelling gestuurd voordat die beslistermijn was verstreken.

Volgens vaste rechtspraak en de wetsgeschiedenis is een ingebrekestelling die vóór het einde van de beslistermijn wordt ingediend prematuur en kan deze niet leiden tot ontvankelijkheid van het beroep. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ter onderbouwing.

Daarom voldoet het beroep niet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb en wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter Ferwerda en griffier Boonkkamp op 18 oktober 2023.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/3891
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2023 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[naam eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres,

gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak,
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 30 november 2022 met kenmerk UHT-DCH.
Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.
Verweerder heeft op 21 juni 2023 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
Eiseres heeft zich bij verweerder gemeld voor een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft daarover een beschikking gegeven, waartegen eiseres een bezwaarschrift heeft ingediend.
Verweerder heeft een adviescommissie ingesteld als bedoeld in artikel 7:13 van Pro de Awb. Verweerder moest daarom op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, binnen twaalf weken op het bezwaar beslissen, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb en artikel 6.10a van de Wet hersteloperatie toeslagen bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken, gerekend vanaf de dag na die van de dagtekening van de beschikking. Verweerder heeft de beslissing met zes weken verdaagd. Verweerder moest in dit geval dus uiterlijk op 17 mei 2023 een besluit op bezwaar nemen.
Verweerder heeft op 10 mei 2023 een ingebrekestelling van eiseres ontvangen. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken.
Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het niet mogelijk is een bestuursorgaan bij voorbaat in gebreke te stellen (Kamerstukken
II2004/05, 29934, nr. 6, p. 12). Een ingebrekestelling die is ingediend voordat de beslistermijn is afgelopen, is daarom geen ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1112). Een ingebrekestelling die op de laatste dag van de beslistermijn door het bestuursorgaan is ontvangen, is niet prematuur (zie de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:724).
Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, omdat de ingebrekestelling eerder dan de laatste dag van de beslistermijn door verweerder is ontvangen. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van R.F.J.B. ten Thije, ook genoemd Boonkkamp, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 oktober 2023.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.