ECLI:NL:RVS:2023:724
Raad van State
- Hoger beroep
- E.J. Daalder
- J.E.M. Polak
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Belastingdienst verbeurt dwangsom wegens niet tijdig beslissen over huurtoeslag bezwaar
De zaak betreft een geschil tussen [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen over het niet tijdig beslissen op een bezwaar tegen een herziening van de huurtoeslag over 2017. De Belastingdienst had het verzoek van [appellante] om een dwangsom wegens overschrijding van de beslistermijn afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling prematuur was omdat de beslistermijn nog niet was verstreken.
In hoger beroep stelde [appellante] dat de termijn voor het indienen van bezwaar niet op zaterdag 31 augustus 2019, maar op vrijdag 30 augustus 2019 eindigde, waardoor de beslistermijn op vrijdag 11 oktober 2019 afliep. De Afdeling oordeelde dat de ingebrekestelling daarom niet prematuur was en dat de Belastingdienst de beslistermijn had overschreden door pas op 27 december 2019 te beslissen.
Daarnaast stelde de Belastingdienst dat de dwangsomregeling niet van toepassing was op herzieningen van definitieve tegemoetkomingen. De Afdeling verwierp dit standpunt en stelde dat ook op herzieningen de dwangsomregeling van toepassing is. Het verzoek om schadevergoeding wegens immateriële schade werd afgewezen omdat niet was aangetoond dat sprake was van een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106 BW Pro.
De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de Belastingdienst een dwangsom van €90,- heeft verbeurd. Tevens werd bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en dat de Belastingdienst het betaalde griffierecht aan [appellante] moet vergoeden.
Uitkomst: De Belastingdienst heeft een dwangsom van €90,- verbeurd wegens niet tijdig beslissen op bezwaar huurtoeslag 2017.