ECLI:NL:RBROT:2024:10041
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juistheid vaststelling eindafrekening uitkering betalingsonmacht werkgever
Eiser was in dienst bij een werkgever die wegens betalingsonmacht een ontslagaanvraag indiende. Het UWV stelde op grond van de Werkloosheidwet (WW) een eindafrekening vast van € 5.415,30 bruto, gebaseerd op loon over november en december 2022, inclusief vakantietoeslag en vakantie-uren, maar zonder overuren en ontslagpremie.
Eiser voerde beroep aan tegen het UWV-besluit omdat volgens hem overuren uit 2021 en 2022, de ontslagpremie en loon over een eerdere periode niet waren meegenomen. Hij stelde dat het besluit in strijd was met het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel en dat er sprake was van maatschappelijke onaanvaardbaarheid.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht uitging van de loongegevens van de polisadministratie en dat alleen loon over de maximaal toegestane periode van dertien weken voorafgaand aan de fictieve opzegdatum kon worden meegenomen. Overuren buiten deze periode konden niet worden vergoed. De ontslagpremie valt niet onder de loonovernameverplichting. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de dringende reden faalde omdat eiser dit niet voldoende onderbouwde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het UWV de uitkering correct had vastgesteld. Eiser kreeg geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het UWV is ongegrond verklaard en de uitkering is correct vastgesteld op € 5.415,30 bruto.