ECLI:NL:CRVB:2025:1839
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Faillissementsuitkering en structureel gewerkte overuren bij UWV
Appellant was taxichauffeur bij een ex-werkgever die failliet ging. Het UWV kende een faillissementsuitkering toe op basis van loon over november en december 2022, maar hield geen rekening met structureel gemaakte overuren. Appellant stelde dat het UWV onjuist had berekend en dat ook overuren uit eerdere periodes en een ontslagpremie niet waren meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond dat het UWV juist was uitgegaan van de polisadministratie en dat overuren niet konden worden vergoed zonder bewijs van structurele uren in de relevante periode. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de loonperiode beperkte tot maximaal dertien weken voorafgaand aan de opzegging, maar erkende dat het UWV ten onrechte geen rekening had gehouden met structureel gemaakte overuren in november en december 2022. De Raad vernietigde het besluit en droeg het UWV op een nieuwe berekening te maken met inachtneming van deze overuren. Het beroep op de ontslagpremie, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel werd verworpen.
De Raad veroordeelde het UWV tevens in de proceskosten en bepaalde dat tegen de nieuwe beslissing alleen beroep bij de Raad mogelijk is. De uitspraak bevatte een uitgebreide motivering over de toepasselijke wettelijke bepalingen uit de WW en het BW, met name artikel 64 van Pro de WW en artikel 7:610b BW over de omvang van de arbeid.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een correcte berekening van de faillissementsuitkering waarbij structureel gewerkte overuren in de relevante periode moeten worden meegenomen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen een nieuwe berekening van de faillissementsuitkering te maken waarbij rekening wordt gehouden met structureel gewerkte overuren.