De rechtbank Rotterdam behandelde twee zaken tegen de verdachte betreffende de illegale overbrenging van afvalstoffen naar India. In de eerste zaak ging het om balen oud papier en huishoudelijk afval uit Ierland, waarbij de rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond dat het afval niet behoorlijk was gesorteerd, waardoor vrijspraak volgde. In de tweede zaak betrof het kraftzakken bestaande uit een papieren buitenzak met een kunststof binnenzak, waarvoor voorafgaande kennisgeving en toestemming verplicht waren volgens de EVOA. De verdachte werd schuldig bevonden aan feitelijk leidinggeven aan deze overtreding.
De verdediging voerde onder meer niet-ontvankelijkheid aan wegens schending van beginselen van goede procesorde en redelijke termijn, maar de rechtbank verwierp deze verweren. Wel werd een vormverzuim vastgesteld omdat de verdachte niet eerder als verdachte was gehoord, maar dit leidde niet tot niet-ontvankelijkheid.
De rechtbank concludeerde dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de illegale overbrenging van kraftzakken en dat het opzet kleurloos is. Gezien de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat de verdachte niet meer werkzaam is in de oud papierbranche, werd geen straf of maatregel opgelegd. De verdachte werd vrijgesproken van de overige tenlastegelegde feiten.