Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van hun huurwoning schorst. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 14 juni 2024 vanwege huurachterstand. Verzoekers kampen met financiële problemen veroorzaakt door depressie en verslaving van de hoofdinkomensverstrekker, maar zijn inmiddels gestart met schuldhulpverlening en budgetbeheer.
Verweerster, de verhuurder, betoogt dat verzoekers niet stabiel zijn in hun betalingen, hulp weigeren en dat er sprake is van meervoudige problematiek en overlast. De rechtbank oordeelt dat de bedreigende situatie door het ontruimingsvonnis aanwezig is en dat het belang van verzoekers om in de woning te blijven en schuldhulp te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen betaald zullen worden, mede door de opgestarte schuldhulpverlening en het instellen van budgetbeheer. Overlast kan niet worden meegewogen omdat het ontruimingsvonnis alleen op betalingsachterstand is gebaseerd. De voorlopige voorziening wordt voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat huurbetalingen tijdig blijven.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoekers kunnen later een nieuw verzoek indienen.
De uitspraak is gewezen door rechter M.C. Franken op 2 oktober 2024.