Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om uitvoering van een ontruimingsvonnis te voorkomen. De ontruiming is gebaseerd op huurachterstand, maar verweerster stelt dat ook drugshandel en onderhuur zonder toestemming aan de basis liggen.
De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en weegt het belang van verzoekster om in de woning te blijven tegen het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Hoewel verzoekster een uitkering ontvangt en beschermingsbewind is ingesteld, is er een huurachterstand van ruim vijftien maanden en is niet aannemelijk dat verzoekster feitelijk in de woning woont.
Controle door de gemeente toonde leegstand en aanwezigheid van nieuwe huurders die huur betaalden aan verzoekster. Verzoekster heeft geen verklaring gegeven voor deze situatie. Ook eerdere rapportages wijzen op niet-bewoning en gebruik van de woning voor drugshandel.
De rechtbank concludeert dat het belang van verweerster zwaarder weegt en wijst de voorlopige voorziening af. Tevens verklaart zij verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van een afgerond minnelijk traject.