Verzoekster diende op 29 augustus 2024 een verzoek in op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De rechtbank stelde een zitting in op 26 september 2024, waar partijen werden gehoord en nadere stukken werden overgelegd.
Verzoekster wil haar schuldenproblematiek oplossen en staat onder beschermingsbewind, waarbij de bewindvoerder zorg draagt voor tijdige huurbetaling. Zij heeft een vast arbeidsinkomen en heeft de huur van oktober 2024 reeds voldaan. Verweerster erkent de terugkerende betalingsproblemen, maar ziet voldoende vertrouwen in de huidige situatie.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming per 5 september 2024. Gezien het moratoriumdoel en het feit dat verzoekster de lopende huurtermijnen kan voldoen, weegt het belang van verzoekster zwaarder dan dat van verweerster. De voorlopige voorziening wordt daarom voor zes maanden toegewezen, onder de voorwaarde dat de huur tijdig wordt betaald. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid Fw.