Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- de heer A. van Es, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
- mevrouw I. Schouten, werkzaam bij het Wijkteam.
2.Het verzoek
Het verweer
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie, omdat een vonnis tot ontruiming is uitgesproken en de ontruiming gepland staat.
Verzoekster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de lopende huurtermijnen kan en zal voldoen, mede doordat zij inkomsten uit arbeid heeft en budgetbeheer wordt ingesteld. De huur van juni tot en met september 2024 is reeds voldaan. Verweerster, de verhuurder, is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en haar schulden wil saneren, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Daarom wordt de voorlopige voorziening voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden betaald.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal worden afgerond. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.
De voorziening wordt onder voorwaarden verlengd en de huurovereenkomst wordt voor de duur van de voorziening verlengd.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.