De rechtbank Rotterdam behandelde een kort geding tussen ouders die gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben over hun minderjarige dochter, waarbij de vader vorderde dat de moeder de zorgregeling nakomt zoals vastgesteld in een beschikking van februari 2024. De moeder vorderde voorwaardelijk schorsing van deze regeling in afwachting van een bodemprocedure.
De rechtbank constateerde dat de verstandhouding tussen de ouders slecht is en dat de minderjarige weerstand toont tegen omgang met de vader, wat een gezonde reactie is op de gespannen situatie. De rechtbank benadrukte dat het aan de ouders is om de omgang te regelen en dat de zorgregeling moet worden nagekomen omdat geen uitzonderingen op nakoming van toepassing zijn.
Tijdens de zitting zijn afspraken gemaakt over een viergesprek met advocaten en mogelijk de minderjarige, om gezamenlijk de weerstand te bespreken en hulpverlening te starten. De rechtbank bepaalde dat de minderjarige tijdens de zomervakantie van 5 tot en met 19 augustus 2024 bij de vader verblijft, een kortere periode dan oorspronkelijk was vastgesteld, om de band te verbeteren.
De vordering tot oplegging van een dwangsom werd afgewezen omdat dit de verhoudingen zou verslechteren. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.