ECLI:NL:RBROT:2024:11267

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 november 2024
Publicatiedatum
13 november 2024
Zaaknummer
FT RK 24/967
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

Verzoekster heeft op 19 juli 2024 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van €66.013,31. Tijdens de zitting van 22 oktober 2024 verklaarde zij inkomsten te ontvangen uit een WAJONG-uitkering. De rechtbank beoordeelde of verzoekster te goeder trouw was met betrekking tot het ontstaan en het onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek.

De rechtbank stelde vast dat verzoekster meerdere schulden had die niet te goeder trouw waren ontstaan, waaronder verkeersboetes, een schuld wegens tanken zonder betalen, en een schuld voortvloeiend uit niet-gereserveerde kinderopvangtoeslag. Verzoekster had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij geen verwijt treft omtrent het niet juist informeren van de belastingdienst over de toeslag.

Hoewel verzoekster onder beschermingsbewind is gesteld en begeleiding ontvangt, acht de rechtbank haar situatie nog onvoldoende stabiel om toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen. De afwijzing betekent niet dat andere redenen voor afwijzing ontbreken. Verzoekster wordt geadviseerd een volgend verzoek in te dienen wanneer haar situatie is verbeterd.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 6 november 2024
[verzoekster],
[adres]
[plaatsnaam],
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 19 juli 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter zitting van 22 oktober 2024.

2.De feiten

Verzoekster ontvangt inkomsten uit een WAJONG-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 66.013,31.

3.De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan verzoekster dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin het verzoekster kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoekster voor wat betreft haar inspanningen de schulden te voldoen of acties harerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoekster heeft schulden bij [schuldeiser 1] van in totaal € 3.887,87. Ter terechtzitting heeft verzoekster verklaard dat deze schulden betrekking hebben op verkeersboetes wegens foutief parkeren, parkeren op de stoep, te hard rijden en door rood ligt rijden, ontstaan in de jaren 2018 tot en met 2023. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan.
Ook heeft verzoekster een schuld van € 4.684,- aan [schuldeiser 2], ontstaan in 2023. Verzoekster heeft in deze periode wel gebruik gemaakt van de kinderopvang en hiervoor toeslag van [schuldeiser 4] ontvangen, maar deze niet aangewend om de vordering van het kinderdagverblijf te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan, althans onbetaald gelaten.
Verzoekster heeft een schuld laten ontstaan op 28 juni 2023 van € 200,08 bij [schuldeiser 3]. Dit betreft een schuld die is ontstaan uit tanken zonder te betalen. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat iemand anders in haar auto heeft gereden. Nu de boete wel op naam van verzoekster staat is de rechtbank van oordeel dat deze schuld niet te goeder trouw is ontstaan althans onbetaald gelaten.
Verzoekster heeft een schuld aan [schuldeiser 4] uit de periode 2021 en 2023 van
€ 1.602,-. Volgens verzoekster heeft deze schuld betrekking op ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoekster om er voor zorg te dragen dat [schuldeiser 4] juist en volledig is geïnformeerd. Verzoekster heeft dit niet gedaan. Verzoekster heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat haar ten aanzien van het verstrekken van de juiste gegevens geen verwijt treft. Voorts valt het verzoekster te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt op dat het een goede ontwikkeling is dat verzoekster onder beschermingsbewind is gesteld. Daarnaast woont zij inmiddels samen met haar zoon op een intramurale moeder-kind locatie van de Stichting Firmitas, waar zij begeleiding en ondersteuning krijgt op diverse leefgebieden. Verzoekster is dus op de goede weg. Gebleken is echter dat de huidige begeleiding en ondersteuning nog onvoldoende kader biedt aan verzoekster om te voorkomen dat zij opnieuw schulden maakt. Het is de bedoeling dat aan haar een persoonlijke begeleider wordt toegekend, maar tot op heden is dat nog niet gerealiseerd. Al het voorgaande in aanmerking genomen, en mede met het oog op de ernst en de totale hoogte van de schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan, althans onbetaald zijn gebleven, oordeelt de rechtbank dat de huidige situatie van verzoekster nog onvoldoende bestendig van aard is om een toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment te rechtvaardigen. Indien het leven van verzoekster zich (verder) stabiliseert, zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van
S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 november 2024. [1]