Werknemer trad op 30 april 2024 in dienst bij werkgever als schoonmaker met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van acht maanden. Op 13 mei 2024 werd hij tijdens de proeftijd ontslagen. Werknemer stelde dat het ontslag discriminerend was vanwege zijn chronische ziekte, een PTSS als gevolg van een schietincident in de metro.
De kantonrechter stelde vast dat werkgever geen vermoeden had van een chronische ziekte ten tijde van het ontslag en dat het ontslag was gebaseerd op ongeoorloofde afwezigheid en niet naleven van het verzuimprotocol. Werknemer had zich tweemaal ziek gemeld binnen korte tijd zonder de juiste procedures te volgen.
Hoewel werknemer een psycholoogbrief overlegde waaruit PTSS bleek, was onvoldoende vastgesteld dat deze aandoening chronisch was. De behandeling was nog niet gestart en klachten konden mogelijk verdwijnen. Het ontslag was daarom niet in strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.
De kantonrechter wees het verzoek om billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding af, maar erkende het recht op een pro rata transitievergoeding die werkgever had betaald. De proceskosten werden aan werknemer opgelegd en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.