De rechtbank Rotterdam behandelde op 30 oktober 2024 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van mensenhandel en mensensmokkel in de periode van september 2020 tot juni 2021. De verdediging voerde onder meer een schending van het recht op een eerlijk proces aan vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie jaar, mede veroorzaakt door het horen van een buitenlandse getuige.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de redelijke termijn was overschreden, dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De vermeende inbreuk op het recht op een eerlijk proces was niet onherstelbaar en werd gecompenseerd door de mogelijkheden van de verdediging, ondanks dat verdachte in het buitenland verbleef. Ook het betoog dat geen strafrechtelijk belang bij vervolging bestond, werd verworpen.
Ten aanzien van de tenlasteleggingen stelde de rechtbank vast dat het bewijs onvoldoende was om de verdachte wettig en overtuigend te veroordelen. De verdachte werd daarom vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, waaronder het aanwerven, vervoeren, huisvesten en uitbuiten van slachtoffers voor seksuele diensten, en het faciliteren van illegaal verblijf en doorreis van personen uit het buitenland.
De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige bewijsvoering bij complexe strafzaken en benadrukt dat overschrijding van de redelijke termijn niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid, mits het proces als geheel eerlijk blijft. De zaak illustreert ook de uitdagingen bij internationale getuigenverhoren en communicatie met een verdachte die in het buitenland woont.