De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het hof de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie bevestigde. Betrokkene stelde dat het OM niet-ontvankelijk verklaard moest worden vanwege overschrijding van de redelijke termijn, waardoor een adequate verdediging niet meer mogelijk zou zijn.
De rechtbank had betrokkene al veroordeeld tot betaling van een bedrag van €258.917,77 aan de Staat. Het hof bevestigde deze uitspraak ondanks een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer twee jaar, deels toe te rekenen aan de verdediging. De Hoge Raad bevestigt dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM in de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen.
De Hoge Raad benadrukt dat niet-ontvankelijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is, namelijk bij ernstige, onherstelbare inbreuken op verdedigingsrechten die een eerlijk proces onmogelijk maken. Het hof had nagelaten expliciet op dit verweer te beslissen, maar dat leidt niet tot cassatie omdat het verweer niet tot een ander oordeel kan leiden.
Het arrest bevestigt de jurisprudentie dat overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag en niet door niet-ontvankelijkheid van het OM. Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.