De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil over de hoofdverblijfplaats van een minderjarige die sinds drie jaar met de moeder in Frans-Guyana verblijft, ondanks een eerdere beschikking die terugkeer naar Nederland verplicht stelde. De moeder is niet van plan terug te keren, terwijl de vader het gezag gezamenlijk met haar uitoefent sinds zijn erkenning van het kind in januari 2024.
De rechtbank stelde vast dat de moeder onvoldoende medewerking verleent aan het onderhouden van contact tussen vader en kind, wat leidt tot een verstoorde relatie. Daarnaast zijn er ernstige zorgen over de medische zorg en de leer- en ontwikkelingsachterstand van de minderjarige, die in Nederland gespecialiseerde zorg en passend onderwijs kan ontvangen.
Gelet op het belang van het kind, de gebrekkige communicatie en de medische situatie, oordeelde de rechtbank dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vader in Nederland moet zijn. De subsidiaire verzoeken van de vader betreffende zorg- en informatieregelingen werden niet behandeld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen hun eigen proceskosten.