De huurovereenkomst tussen eiseres en gedaagde betreft een bedrijfsruimte in Rotterdam, verhuurd sinds 2003. Eiseres vordert ontbinding van de overeenkomst wegens vermeende tekortkomingen, waaronder onrechtmatig gebruik, niet naleven openingstijden, alcoholverstrekking zonder vergunning en huurachterstand.
De rechtbank oordeelt dat het gebruik van de bedrijfsruimte niet in strijd is met de bestemming en dat de vermeende tekortkomingen onvoldoende zwaar wegen voor ontbinding. Het schenken van alcohol zonder vergunning wordt erkend maar niet als reden voor ontbinding gezien, mede omdat inmiddels een vergunning is verkregen.
De huurachterstand over februari en maart 2021 wordt erkend en toegewezen, terwijl de vordering tot buitengerechtelijke kosten en rente wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. In reconventie vordert gedaagde huurkorting over april 2020 tot december 2021 wegens coronamaatregelen, welke wordt toegewezen op basis van de Hoge Raad uitspraak en onderbouwde berekening.
Een vordering tot schadevergoeding wegens waterschade wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.