ECLI:NL:RBROT:2024:12565
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot naturalisatie wegens gevaar voor openbare orde bevestigd
Eiser diende op 17 juni 2021 een verzoek tot naturalisatie in, dat door de staatssecretaris op 9 mei 2022 werd afgewezen wegens ernstige vermoedens dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Deze beslissing werd op 15 juni 2023 bevestigd na bezwaar. Eiser werd veroordeeld tot taakstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen voor identiteitsfraude, waarvan de proeftijd nog liep ten tijde van het verzoek.
Eiser voerde in beroep aan dat bijzondere omstandigheden, zoals zijn gezinssituatie, integratie en plannen voor een eigen bedrijf, een afwijking van het beleid rechtvaardigen. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden niet relevant zijn voor de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde en dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd waarom geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.
De rechtbank bevestigde dat het beleid dwingendrechtelijk is en dat de staatssecretaris slechts in zeer bijzondere gevallen kan afwijken. Ook het beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel faalde omdat het Unierecht niet van toepassing is op naturalisatieverzoeken van niet-EU-burgers.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de afwijzing van het naturalisatieverzoek blijft staan en eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak werd gedaan door rechter D.J.M. de Grave op 13 december 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard en het verzoek blijft afgewezen.