ECLI:NL:RBROT:2024:12584

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 augustus 2024
Publicatiedatum
13 december 2024
Zaaknummer
FT RK 24-509
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 248 FwArt. 288 FwArt. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens problematische schuldensituatie

Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) vanwege een problematische schuldensituatie. De rechtbank heeft dit verzoek behandeld op 8 augustus 2024 en beoordeeld aan de hand van de criteria van de Faillissementswet.

Hoewel mevrouw [verzoekster] schulden heeft die niet te goeder trouw zijn ontstaan, zoals boetes van het CJIB en belastingachterstanden door het niet indienen van aangiften als zelfstandige, is de rechtbank van oordeel dat zij de omstandigheden die tot deze schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen. Dit blijkt uit haar beheersing van alcohol- en drugsgebruik, het hebben van een vaste baan, en begeleiding via budgetbeheer en Stichting Ontmoeting.

De rechtbank stelt vast dat mevrouw [verzoekster] voldoet aan de eisen van goede trouw en de verwachting bestaat dat zij aan de verplichtingen van de WSNP zal voldoen. De toelating tot de regeling wordt uitgesproken met ingang van 22 augustus 2024 en een einddatum van 22 februari 2026. Tevens wordt een postblokkade ingesteld voor de eerste dertien maanden en wordt een bewindvoerder benoemd.

De uitspraak werd gedaan door rechter M. Aukema in samenwerking met griffier A.B.T. Fernandes Pedra. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na de uitspraakdatum.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegewezen met ingang van 22 augustus 2024.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van:
22 augustus 2024
op het verzoek van:
[verzoekster],
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] .
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek wordt toegewezen.

1.De procedure

1.1.
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de WSNP.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 8 augustus 2024. Op de zitting zijn verschenen:
- mevrouw [verzoekster] ,
- de zus van mevrouw [verzoekster] ,
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Stichting Ontmoeting.

2.De beoordeling van het verzoek

De toelating

2.1.
Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de WSNP als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen van de WSNP zal voldoen.
2.2.
Mevrouw [verzoekster] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de WSNP.
Goede trouw
2.3.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat mevrouw [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Voorts dient voldoende aannemelijk te zijn dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
2.4.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan mevrouw [verzoekster] dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin mevrouw [verzoekster] kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van mevrouw [verzoekster] voor wat betreft haar inspanningen de schulden te voldoen of acties harerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. Gebleken is dat mevrouw [verzoekster] een aantal schulden heeft die zijn ontstaan binnen de driejaarstermijn. Mevrouw [verzoekster] heeft een schuld aan de belastingdienst van € 6.466,00, ontstaan op 10 juni 2021. Een groot deel van deze schuld is ontstaan omdat mevrouw [verzoekster] als zelfstandige werkzaam was van november 2020 tot juni 2022 en zij over deze periode geen aangifte had ingediend bij de belastingdienst. Daarnaast heeft mevrouw [verzoekster] ook schulden aan het CJIB van in totaal € 1.000,42, ontstaan op 27 juni 2023. De schuld aan het CJIB betreft boetes voor overtredingen als rijden onder invloed, wegen inrijden waar dat niet toegestaan is en het gebruiken van een mobiel apparaat tijdens het rijden. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan, althans onbetaald gelaten en staan in beginsel aan toelating in de weg.
2.5.
Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid Fw, ondanks het ontbreken van goede trouw (artikel 288, eerste lid onder b) wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat mevrouw [verzoekster] de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden, onder controle heeft gekregen waardoor een wending ten goede is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is. Immers heeft mevrouw [verzoekster] aangegeven dat zij haar alcohol- en drugsgebruik onder controle heeft. Verder heeft mevrouw [verzoekster] een vaste baan waar zij momenteel parttime werkt en het mogelijk is om fulltime te gaan werken. Daarnaast laat mevrouw [verzoekster] geen schulden meer ontstaan nu haar financiën worden beheerd door budgetbeheer en zij wordt begeleid door Stichting Ontmoeting. Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal daarom worden toegewezen.
2.6.
Als mevrouw [verzoekster] zich tijdens het WSNP-traject houdt aan alle verplichtingen die de WSNP met zich brengt, eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de WSNP werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] kunnen verhalen.
2.7.
De eerste 13 maanden van het traject geldt een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de mevrouw [verzoekster] . Als de schuldsaneringsregeling eerder eindigt, stopt ook de postblokkade.
Bevoegdheid rechtbank
2.8.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt.

3.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] -1996 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;
aldaar voorheen handelend onder de naam:
[handelsnaam A]
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder J.M. Hoogland,
gevestigd te Postbus 81145,
3009 GC Rotterdam;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 22 augustus 2024 en de einddatum op 22 februari 2026;
- draagt de bewindvoerder op om de komende dertien maanden de post van mevrouw [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Deze vergoeding is gelijk aan 1/19e deel van de overeenkomstig artikel 2 van Pro dat Besluit te berekenen vergoeding. Dit kan alleen:
- zolang de schuldsaneringsregeling loopt en,
- voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2024. [1]