Op 22 november 2024 verzocht de benoemde bewindvoerder om ontslag en benoeming van een nieuwe bewindvoerder. Op 12 december 2024 verzocht zij tevens om opheffing van het bewind over de goederen van betrokkene.
Betrokkene reageerde niet op brieven van de rechtbank. Uit overgelegde e-mailberichten blijkt dat betrokkene ernstige beledigingen en dreigende taal gebruikte jegens de bewindvoerder, waaronder herhaalde scheldwoorden en bedreigingen.
De kantonrechter oordeelde dat door dit gedrag de bewindvoerder zijn taak niet naar behoren kan uitvoeren en dat voortzetting van het bewind, ook bij een andere bewindvoerder, onwerkbaar zal zijn. Daarom werd het bewind per 18 december 2024 opgeheven.
De bewindvoerder moet eindrekening en verantwoording afleggen aan de kantonrechter en niet aan betrokkene. De kantonrechter waarschuwde betrokkene dat een nieuw verzoek tot onderbewindstelling alleen in uitzonderlijke gevallen zal worden overwogen, mits betrokkene aantoonbaar inzicht toont en zich aan afspraken houdt.
Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden, uitsluitend door een advocaat.