Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2024:13359

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 november 2024
Publicatiedatum
14 januari 2025
Zaaknummer
C/10/687716 / JE RK 24-2239
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen

De gecertificeerde instelling Leger Des Heils Jeugdbescherming en Reclassering verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2017 en 2020, die verblijven in een pleeggezin. De moeder en pleegouders stemden in met het verzoek.

De kinderrechter constateerde dat ondanks de liefdevolle zorg in het pleeggezin er blijvende zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen, met name vanwege de ontwikkelingsachterstand en incontinentie van de oudste minderjarige en de onrust rondom haar vader, die in een penitentiaire inrichting verblijft. De samenwerking tussen moeder, pleegouders en hulpverlening verloopt positief, maar de noodzakelijke hulpverlening moet in een gedwongen kader worden voortgezet.

De rechtbank verlengde de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar, waarbij de regie van de gecertificeerde instelling noodzakelijk blijft. Tevens werd de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De bezoekmomenten tussen moeder en kinderen worden geacht zorgvuldig te worden uitgebreid, met aandacht voor het belang van de kinderen en de situatie rondom de vader.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de twee minderjarigen voor een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/687716 / JE RK 24-2239
Datum uitspraak: 26 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een ondertoezichtstelling en een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger Des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats 1], hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats 2], hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam 1],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1],
[naam 2] en [naam 3],
hierna te noemen: de pleegouders, wonende in [woonplaats 2].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 17 oktober 2024, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • de brief van de moeder, overgelegd ter zitting.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de pleegouders;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 4] en [naam 5].
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de mentor van de moeder, te weten [naam 6].

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een perspectief biedend pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 23 november is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 6 december 2024. Bij die beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 6 december 2024.

3.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. Ondanks de liefdevolle en zorgzame omgeving waarin de kinderen opgroeien, zijn er nog zorgen over hun ontwikkeling. Deze zorgen zijn gelegen in de situatie rondom de vader van [minderjarige 1] en de incontinentie van [minderjarige 1]. Ook de school heeft zorgen geuit over de ontwikkeling van [minderjarige 1]. Hoewel [minderjarige 2] zich positief ontwikkelt, is de onrust rondom [minderjarige 1] belastend voor [minderjarige 2]. De samenwerking tussen de moeder, de pleegouders en de hulpverlening verloopt positief en is uniek. Het blijft echter van belang om de regie te voeren en de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te volgen.
4.2.
De moeder stemt ter zitting in met het verzoek. Er zijn zorgen over het gedrag van de vader van [minderjarige 1]. Het is belangrijk dat het goed gaat met de kinderen en dat de pleegouders in staat zijn al het nodige te doen. Daarvoor heeft de moeder altijd haar best gedaan en zij accepteert dat het perspectief van de kinderen bij de pleegouders ligt. De samenwerking met de pleegouders verloopt positief en de pleegouders verdienen complimenten voor hoe zij met de situatie omgaan. De moeder wenst voor de komende periode langere bezoekmomenten met de kinderen. In de toekomst kan contact tussen de vader en [minderjarige 1] worden opgebouwd, maar dit is alleen mogelijk als de vader stabiel is en er duidelijke veiligheidsafspraken worden gemaakt.
4.3.
De pleegouders stemmen ter zitting eveneens in met het verzoek. Het gaat goed met de kinderen, de opvoeding en verzorging van hen is wel intensief. Zo kan [minderjarige 1] heftig reageren op veranderingen en stressvolle situaties. De samenwerking met de moeder verloopt goed en het is prettig als huidige situatie wordt voortgezet. De pleegouders staan positief tegenover wijzigingen in het contact tussen de kinderen en de moeder en het contact kan onbegeleid plaatsvinden. Het is wel in het belang van de kinderen dat de bezoekmomenten zorgvuldig worden uitgebreid. Daarvoor is de betrokkenheid van een jeugdbeschermer van toegevoegde waarde.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
5.2.
Er zijn onveranderd zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De huidige zorgen zijn gelegen in de ontwikkelingsachterstand van [minderjarige 1], haar incontinentie en de onrust rondom de situatie met de vader van [minderjarige 1]. De onverwachte afwezigheid van de vader van [minderjarige 1], vanwege zijn verblijf in een PI, en het gedrag en de uitspraken van de vader tijdens het laatste bezoekmoment zijn verwarrend voor [minderjarige 1]. Het gebrek aan emotionele toestemming van de vader aan [minderjarige 1] om in het pleeggezin te verblijven heeft effect op haar gedrag. De onrust rondom [minderjarige 1] is ook belemmerend voor [minderjarige 2]. Hoewel de samenwerking met de hulpverleningsinstanties, de pleegouders en de moeder positief verloopt, moet de noodzakelijke hulpverlening in het gedwongen kader worden voortgezet. Het is het van belang dat de jeugdbeschermer betrokken blijft om de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te volgen en de (nog) nodige hulp in te zetten.
5.3.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], zoals verzocht en onweersproken, voor de duur van een jaar. [1]
5.4.
Ten aanzien van de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing overweegt de kinderrechter het volgende. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds juni 2021 samen in het pleeggezin en daar gaat het naar omstandigheden goed met hen. De samenwerking tussen de pleegouders en de moeder is goed. De moeder ziet - anders dan de vader - in dat het in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij in het pleeggezin opgroeien en zij accepteert dit ook. Het is van belang dat de huidige situatie wordt voortgezet en de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin wordt gecontinueerd en gewaarborgd is. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.5.
De kinderrechter verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
5.6.
De komende periode verwacht de kinderrechter van de GI dat wordt onderzocht of de bezoekmomenten tussen de moeder en de kinderen kunnen worden uitgebreid, waarbij het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] leidend dient te zijn. Ook dient de GI de situatie rondom de vader van [minderjarige 1] te volgen en te bezien of en onder welke voorwaarden de bezoekmomenten eventueel kunnen worden hervat, als dit in het belang van [minderjarige 1] is.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 6 december 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 6 december 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2024 door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in aanwezigheid van M.Y.R. Veldkamp als griffier, en op schrift gesteld op 10 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Voetnoten

1.Artikel 1:260, eerste lid, BW.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.