Verzoekster heeft een verzoek tot faillietverklaring van verweerster ingediend wegens een onbetaalde geldlening van €18.000 tot €20.000, verstrekt in oktober 2023 met terugbetaling uiterlijk 30 november 2023. Verweerster betwist de opeisbaarheid van deze vordering, stellende dat terugbetaling afhankelijk is van betaling door een derde partij, [naam bedrijf 1], met wie een driepartijenovereenkomst zou bestaan.
Tijdens de zitting heeft verzoekster een steunvordering van [naam bedrijf 2] overgelegd en gesteld dat verweerster is opgehouden te betalen. Verweerster heeft daartegen ingebracht dat er sprake is van een verwevenheid van vorderingen en verrekening tussen de vorderingen van verzoekster en [naam bedrijf 1], en dat zij schade lijdt door niet-afgenomen goederen.
De rechtbank constateert dat er een fundamenteel geschil bestaat over de hoogte, opeisbaarheid en verrekening van de vorderingen en dat het verweer van verweerster niet op voorhand onaannemelijk is. Gezien de complexiteit en onzekerheid is een faillietverklaring in dit stadium niet aan de orde. De rechtbank wijst het verzoek daarom af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.