ECLI:NL:RBROT:2024:13380

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 april 2024
Publicatiedatum
14 januari 2025
Zaaknummer
FT RK 24/326 – FT RK 24/327
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tot opschorting ontruiming huurwoning wegens schuldsanering

Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. Hij kampt met schulden en heeft hulp gezocht bij de gemeente Rotterdam en de Kredietbank Rotterdam voor schuldhulpverlening. De aanvraag voor schuldhulpverlening en budgetbeheer loopt nog.

De rechtbank constateert dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot dat ontruiming op 17 april 2024 aankondigt. De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren.

Gezien de voldoende inkomsten van verzoeker uit een WIA-uitkering en toeslagen, en de toezegging van schuldhulpverlening om vaste lasten te betalen, weegt het belang van verzoeker zwaarder. De voorziening wordt onder voorwaarden toegewezen voor zes maanden, met de verplichting dat lopende termijnen tijdig worden voldaan. Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 25 april 2024
[verzoeker],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 9 april 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 10 april 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 april 2024.
Ter zitting van 18 april 2024 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • P. Waijers, werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
  • K.N. Blom, werkzaam bij het wijkteam (hierna: begeleider).
Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 28 februari 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker wil een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft daarom hulp gezocht bij de gemeente Rotterdam. Met hulp van het wijkteam en het Expertise Team Financiën heeft verzoeker schuldhulpverlening aangevraagd bij de Kredietbank Rotterdam. De aanvraag loopt nog. Ook de aanvraag voor budgetbeheer loopt nog. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij de vaste lasten van verzoeker gaan betalen. De netto huur bedraagt € 756,96. Verzoeker ontvangt een WIA-uitkering van € 1.209,73, zorgtoeslag van € 123,00 en huurtoeslag van € 364,00 en heeft daarmee voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen tijdig en volledig te betalen. Verzoeker heeft desgevraagd ter zitting verklaard de huur van mei 2024 voor 1 mei 2024 te zullen betalen.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 28 februari 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 22 maart 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 17 april 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 27 februari 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt een WIA-uitkering en toeslagen en heeft daarmee voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te betalen. Daarnaast heeft schuldhulpverlening ter zitting verklaard de vaste lasten van verzoeker te zullen betalen. Hiermee wordt gewaarborgd dat de vaste lasten zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 28 februari 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 10 april 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig en volledig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 april 2024.