De zaak betreft een geschil tussen verhuurder en huurder van een bedrijfsruimte over een huurachterstand en diverse tegenvorderingen. De huurder erkent niet alle facturen betaald te hebben, maar stelt dat de huurprijs onjuist is geïndexeerd en vordert onder meer een coronakorting, vergoeding van kosten voor cv-ketel en renovatie, en een vergoeding wegens stroomstoring.
De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst en de bijbehorende algemene bepalingen van toepassing zijn en dat de indexering door de verhuurder correct is toegepast. De berekeningen van de huurder zijn onjuist omdat zij telkens uitgaat van een vaste basishuur zonder rekening te houden met jaarlijkse indexering.
De tegenvorderingen van de huurder worden afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing: er is geen bewijs van omzetdaling voor coronakorting, geen bewijs van verzoeken tot herstel voor kostenvergoeding, en geen onderbouwing dat de stroomstoring aan de verhuurder kan worden toegerekend.
De kantonrechter stelt vast dat er per 30 november 2023 een huurachterstand van €12.197,55 bestaat, die de huurder moet betalen minus de betalingen vanaf december 2023. De huurovereenkomst wordt niet ontbonden vanwege onduidelijkheden in de betalingsoverzichten en de gestelde betaling in december. Incassokosten worden afgewezen en de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.