ECLI:NL:RBROT:2024:1887

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 februari 2024
Publicatiedatum
11 maart 2024
Zaaknummer
FT EA 23-1240
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308)Faillissementswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling met vaststelling ingangsdatum

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank heeft het verzoek behandeld en vastgesteld dat verzoeker in staat van faillissement verkeert omdat hij is opgehouden met betalen of redelijkerwijs niet kan voortgaan met betaling van zijn schulden.

Tijdens de zitting is besproken of de regeling met een eerdere ingangsdatum kan starten. Verzoeker ontvangt een WIA-uitkering en is deels arbeidsongeschikt, maar heeft bezwaar lopen tegen de UWV-beslissing hierover. De rechtbank kan niet vaststellen of verzoeker zijn inspanningsverplichting heeft nagekomen. Daarnaast is gebleken dat de aflossingen niet volledig conform de VTLB-berekeningen zijn voldaan en ontbreekt onderbouwing van de afdracht over de relevante periode.

De rechtbank oordeelt dat de aflossingen niet aantoonbaar zijn en dat het vermogen van verzoeker is aangesproken om eerdere tekorten te compenseren, waardoor het bedrag voor schuldeisers niet is toegenomen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af om een eerdere ingangsdatum toe te kennen en stelt zij de ingangsdatum van de regeling vast op 7 februari 2024.

De rechtbank verklaart zich bevoegd op grond van EU-verordening 2015/848 en benoemt een rechter-commissaris. Tevens wordt een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder toegekend en wordt bepaald dat verzoeker onder beschermingsbewind blijft gedurende de regeling.

Uitkomst: Verzoeker wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling met ingangsdatum 7 februari 2024.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling
insolventienummer: [nummer01]
uitspraakdatum: 7 februari 2024
[verzoeker01],
[adres01] ,
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting van 29 januari 2024.
Daarbij zijn verschenen en gehoord:
- de heer [verzoeker01] , verzoeker;
- mevrouw A. van Galen, werkzaam bij Fidinda CBM, beschermingsbewindvoerder.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

Toelating tot de schuldsaneringsregeling
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoeker verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. Er is geen, althans onvoldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek. Verzoeker zal daarom worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Eerdere ingangsdatum
Ter zitting is besproken of een eerdere ingangsdatum van de regeling aan de orde is. Ten aanzien van de ingangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsregeling overweegt de rechtbank als volgt. Verzoeker ontvangt een WIA-uitkering en is 55,59% arbeidsongeschikt. Verzoeker heeft tegen de beslissing van het UWV over de mate van arbeidsongeschiktheid bezwaar aangetekend op 8 maart 2023. Het UWV heeft nog geen beslissing op het bezwaar van verzoeker genomen. Verzoeker is thans deels arbeidsongeschikt. Hij heeft niet aanvullend gesolliciteerd. In dit geval kan de rechtbank niet vaststellen of verzoeker zijn inspanningsverplichting is nagekomen.
Ten aanzien van de afdrachtplicht overweegt de rechtbank het volgende. Er zijn bedragen gereserveerd ten behoeve van de schuldeisers. In de periode januari 2022 tot en met februari 2023 is er maandelijks een bedrag van € 55,-- aan de boedel voldaan, terwijl op basis van het VTLB januari 2022 een bedrag van € 151,60 had moeten worden voldaan. In de periode maart 2023 tot en met oktober 2023 is er maandelijks een bedrag van € 175,52 afgedragen, terwijl er volgens de VTLB-berekening juli 2023 geen afdracht mogelijk is. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat het bedrag van € 175,52 per maand is voldaan uit het eerder gespaarde vermogen van verzoeker. Dat is gedaan om het bedrag dat te weinig is voldaan in de periode juni 2022 tot en met februari 2023 te compenseren. Dit laatste betekent dat niet uit het inkomen boven het vrij te inkomen is gespaard maar dat het vermogen van verzoeker is aangesproken. Daarmee neemt het voor uitdeling aan de schuldeisers beschikbare bedrag niet toe.
De VTLB-berekening die geldt met ingang van januari 2023 ontbreekt. Nu behoudens één inkomensspecificatie de VTLB-berekeningen niet met stukken zijn onderbouwd en er door schuldhulpverlening geen schriftelijke toelichting is gegeven over de maandelijkse afdracht, kan de rechtbank niet beoordelen of verzoeker de verplichting om inkomsten boven het vrij te laten bedrag af te dragen, heeft nageleefd, temeer er niet conform de VTLB-berekening is afgedragen. De rechtbank wijst daarom het verzoek af en stelt de ingangsdatum van de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling vast op 7 februari 2024.
Bevoegdheid rechtbank
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

3.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt per de datum van dit vonnis de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker01],
geboren op [geboortedatum01] -1986 te [geboorteplaats01] ,
wonende te [adres01] , [postcode01] [woonplaats01] ;
- stelt de termijn van de regeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf
7 februari 2024, waardoor deze termijn eindigt op 7 augustus 2025;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder S.H.J. Nanuruw,
gevestigd te Postbus 68,
2650 AB Berkel en Rodenrijs;
- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/19e deel van de overeenkomstig artikel 2 van Pro het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen;
- bepaalt dat schuldenaar zich tijdens de schuldsaneringsregeling onder beschermingsbewind houdt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2024. [1]