Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2024 in de zaak tussen
[naam eiser], uit [plaatsnaam], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder
Procedure
.
Rechtbank Rotterdam
Eiser heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor tandartskosten, waaronder het plaatsen van een staaf tussen implantaten en een klikgebit, met een totaalbedrag van €680,53. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van de Participatiewet (Pw), omdat de kosten volgens hem gedekt worden door voorliggende voorzieningen zoals de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Eiser stelt dat er sprake is van dringende redenen, omdat de implantaten stuk zijn gegaan en hij zonder goed functionerend gebit niet kan eten. Hij leeft op bijstandsniveau en kan de kosten niet zelf dragen. De rechtbank overweegt dat zeer dringende redenen alleen gelden bij een acute noodsituatie, bijvoorbeeld levensbedreigend of dreigend ernstig letsel, of een schrijnende situatie waarin het weigeren van bijstand onaanvaardbaar is.
Eiser heeft niet met medische stukken aangetoond dat het niet verlenen van bijstand ernstige gevolgen voor zijn gezondheid heeft. Zijn verklaring dat hij aangepast kan eten en zijn prothese vastlijmt, is onvoldoende om te spreken van een acute noodsituatie. De rechtbank concludeert dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor tandartskosten wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een acute noodsituatie.