Appellant leed aan het Guillain-Barré syndroom (GBS) met ernstige verlammingsverschijnselen en restverschijnselen, waarvoor hij langdurige fysiotherapie nodig heeft. Na opname en revalidatie werd hij doorverwezen naar eerstelijns fysiotherapie, waarvan de eerste 20 behandelingen niet worden vergoed door de Zorgverzekeringswet. Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor deze kosten, maar het college wees dit af vanwege het bestaan van een voorliggende voorziening. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat geen sprake was van een acute noodsituatie die zeer dringende redenen zou rechtvaardigen.
In hoger beroep stelt appellant dat zijn chronische ziekte en financiële situatie zeer dringende redenen vormen voor bijstand. De Raad heroverweegt het begrip 'acute noodsituatie' en concludeert dat dit begrip ruimer moet worden uitgelegd dan eerder aangenomen. Niet alleen levensbedreigende situaties of blijvend ernstig letsel vallen hieronder, maar ook schrijnende situaties met ernstige gevolgen voor de gezondheid. Uit medische stukken blijkt dat het uitblijven van fysiotherapie leidt tot verergering van de gezondheidstoestand van appellant.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en het besluit van het college, en beveelt toekenning van bijzondere bijstand voor de gevraagde fysiotherapiekosten. Tevens worden de proceskosten en griffierechten aan appellant vergoed. Hiermee wordt de rechtspraak over het begrip 'acute noodsituatie' aangepast en wordt appellant in zijn verzoek tegemoetgekomen.