ECLI:NL:RBROT:2024:2404
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde vaststelling van vrijstaande woonboerderij
Eiser betwist de WOZ-waarde van zijn woning, een vrijstaande woonboerderij uit 1927, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €794.000 per 1 januari 2021. Eiser voert aan dat de waarde te hoog is vastgesteld vanwege onjuistheden in de inhoudsbepaling, het onterecht meetellen van een bedrijfsgebouw, scheurvorming, verzakking van het zomerhuis en de nabijheid van een gascompressorstation en de Betuweroute.
De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de waarde niet te hoog heeft vastgesteld en of er een schending is van de verplichting tot het toezenden van stukken. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan door het toezenden van het taxatieverslag en de grondstaffel, en dat het gebruik van een matrix niet verplicht is.
Verder heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De waardering is gebaseerd op een systematische vergelijking met vergelijkbare woningen, waarbij rekening is gehouden met de kenmerken van de woning en het perceel. Ook is voldoende gemotiveerd waarom bepaalde objecten niet zijn meegenomen en waarom de waardedrukkende factoren zijn verwerkt.
De rechtbank wijst het beroep af, waardoor de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting gehandhaafd blijven. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de aanslag onroerendezaakbelasting blijft gehandhaafd.