Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan drie schuldeisers, waarbij twee schuldeisers instemmen en één schuldeiser weigert. De weigering betreft een vordering die 83,21% van de totale schuld vertegenwoordigt. Verzoekster is arbeidsongeschikt en kan slechts een beperkt bedrag betalen, gefinancierd met een saneringskrediet.
De schuldeiser stelt dat verzoekster niet in goede trouw heeft gehandeld bij het ontstaan van de schuld en weigert daarom in te stemmen. De rechtbank stelt vast dat de weigering van de schuldeiser niet onredelijk is, maar dat het belang van verzoekster en de andere schuldeisers zwaarder weegt. De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de schuld niet in de weg staat aan toewijzing van het dwangakkoord, mede omdat de wettelijke termijn van drie jaar sinds het ontstaan van de schuld is verstreken.
De rechtbank wijst het verzoek toe, beveelt de schuldeiser tot instemming met de schuldregeling en veroordeelt deze in de proceskosten. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat het dwangakkoord een gunstiger resultaat biedt voor alle schuldeisers.