Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- Mevrouw [persoon A] , zus van verzoeker;
- [persoon B] , werkzaam bij de kredietbank Rotterdam (hierna te noemen schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een gedwongen schuldregeling aangevraagd op grond van artikel 287a Faillissementswet, waarbij hij een akkoord aanbood aan zijn schuldeisers met een beperkte uitkering tegen finale kwijting. Twee schuldeisers stemden in, maar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) weigerde instemming vanwege vermoedens van fraude bij de aanvraag van een TVL-voorschot.
RVO stelde dat verzoeker onjuiste en valse gegevens had verstrekt, waardoor een voorschot van €70.000 ten onrechte was ontvangen. Verzoeker erkende dat zijn broer de aanvraag had gedaan en het geld contant had opgenomen. De rechtbank oordeelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw handelde of zich had ingespannen om het bedrag terug te vorderen.
Gezien het grote aandeel van RVO in de schuldenlast (83,77%) en de ernst van de fraude, vond de rechtbank dat RVO terecht had geweigerd in te stemmen met de schuldregeling. De belangen van RVO wogen zwaarder dan die van verzoeker en de overige schuldeisers.
Daarom werd het verzoek om gedwongen schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal later een afzonderlijke beslissing nemen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het verzoek om gedwongen schuldregeling wordt afgewezen vanwege ernstige fraude bij de aanvraag van het TVL-voorschot.