Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- de heer mr. J. Pearson, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om uitvoering van een ontruimingsvonnis te schorsen. De ontruiming was gepland naar aanleiding van een vonnis van 11 juli 2023 en een exploot van 12 februari 2024.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie en dat het belang van verzoekster om in haar woning te blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Verzoekster heeft aangetoond dat de huur van maart 2024 is betaald en dat haar inkomen op een schuldhulpverlenersrekening wordt gestort, waardoor tijdige betaling van lopende termijnen aannemelijk is.
De voorlopige voorziening wordt voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid tot een nieuw verzoek later.
De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening en de schuldhulpverlener moet uiterlijk twee weken voor afloop verslag uitbrengen. De uitspraak is gedaan door rechter M. Aukema op 28 maart 2024.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schorst de ontruiming voor zes maanden onder voorwaarde van tijdige betaling van lopende termijnen.