Verzoeker, een zelfstandig ondernemer werkzaam als kapper, vroeg op grond van artikel 287b Faillissementswet een voorlopige voorziening om de ontruiming van zijn huurwoning te voorkomen. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot waarin de ontruiming werd aangekondigd.
De rechtbank maakte een belangenafweging tussen het belang van verzoeker om in zijn woning te kunnen blijven en het belang van verweerster om het vonnis ten uitvoer te leggen. Verzoeker had zijn huur van maart 2023 betaald en zou zijn inkomen laten overmaken op de rekening van een schuldhulpverlener, waardoor de betaling van lopende termijnen voldoende gewaarborgd was.
Gezien deze omstandigheden woog het belang van verzoeker zwaarder en werd de voorlopige voorziening toegewezen voor de duur van zes maanden. Tevens werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.
De voorziening geldt onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan en dat de schuldhulpverlener uiterlijk twee weken voor afloop van de voorziening verslag uitbrengt. De huurovereenkomst wordt voor de duur van de voorziening verlengd.